Inspiratie

18 januari 2010

Ontbijten

Het is half acht en Jongste en ik zitten te ontbijten. En het gaat weer langzaam, heel erg langzaam. Jongste is niet zo'n eter ’s morgens vroeg en dat maakt dat we lang aan tafel ‘moeten’ zitten. Hij peuzelt werkelijk met muizenhapjes zijn crackers naar binnen en zit de helft van de tijd een beetje om zich heen te kijken. Het is een echte ‘slow starter’, altijd al geweest.
Joram was ook niet altijd zo’n snelle, maar niet omdat hij moeite had met opstarten. Integendeel, zodra hij zijn ogen open deed was hij wakker en dat moest iedereen weten. Hij kwebbelde meteen je oren van je hoofd. Soms heel gezellig, maar ook om zo af en toe gek van te worden, vooral als je net wakker bent. Negen van de tien keer had hij al tijden wakker gelegen voordat hij ‘eindelijk’ uit bed mocht en ik kan me zo voorstellen dat hij dan van alles had liggen verzinnen om te vertellen of om vragen over te stellen. Dat ging voornamelijk over dinosaurussen of andere oerbeesten. De prehistorie boeide hem mateloos. En behalve dat eten hem in het algemeen erg tegen stond kwam het ook door al dat gepraat van hem dat eten traag ging.
“Volgende hap, eet nou even door, we moeten zo naar school, schiet nou es op”, zijn van die kreten die je hier ’s morgens met grote regelmaat hoort. Maar er is nogal wat veranderd in de ochtend. Nou ja, niet alleen in de ochtend natuurlijk, maar in die tijd tussen het opstaan en het ‘dag zwaaien’ bij school is de afwezigheid van Joram wel heel erg voelbaar. En vooral ook hoorbaar. Het is zo stil! Jongste maakte niet lang na het overlijden van Joram tijdens het ontbijten al eens de opmerking “Ik praat niet zo veel als Joram hè?” Hij verwoordde daarmee precies wat we zo voelen; die oorverdovende stilte. Het contrast met hoe het voor het overlijden van Joram was is zo ontzettend groot! (En wat zou ik die jongen nog graag achter zijn broek aan zitten.)
Voorheen had ik een regel dat er tijdens de maaltijd niet wordt gespeeld, boekjes worden gelezen of andere dingen worden gedaan die niet met eten te maken hebben. Maar inmiddels ben ik wat soepeler geworden, vooral voor mezelf omdat ik vaak, vooral ’s morgens dus, al lang klaar ben terwijl Jongste nog zit te knabbelen en wakker te worden. En een half uur aan tafel zitten zonder ook maar iets te doen en vaak ook maar weinig te zeggen kan en wil ik niet. Ook omdat die stilte daarmee zo extra benadrukt wordt.
En daarom staat nu de radio aan en ben ik alvast een ‘things to do today list’ aan het maken. Jongste wil weten wat ik op schrijf en waarom ik dat doe en zo ontstaat er weer een gesprekje. Als ik klaar ben pakt hij de pen en begint op zijn hand te schrijven. “Hij doet het niet meer.” Ik doe hem voor dat de pen het op papier wel doet en schrijf: ‘Jongste is lief’ en lees hem voor wat er staat. Hij kijkt me aan en zegt: “En nou moet je opschrijven: Joram is dood.” Ik schrijf het op.
Hoewel dat zinnetje en vooral de woorden op papier me een steek in mijn buik bezorgen, schrik ik hier toch niet meer zo van. Het is opvallend hoe hard het in het begin aan kwam en hoe ‘gewoon’ dit soort uitspraken van hem inmiddels zijn geworden. Het is meer een constatering van een feit, een vast gegeven. Iets dat nou eenmaal zo is en daar zul je het mee moeten doen. Tegelijkertijd vraag ik me ook af waarom hij dit nu, juist op dit moment, zegt. Onderstreept hij daarmee ook zijn gevoel? Dat het zo anders is? Of voelt hij weer eens haarfijn aan wat ik in de ochtend zo moeilijk vind? Die klotestilte!
‘Joram is lief’ schrijf ik eronder en lees het voor aan Jongste. Hij slaakt een zucht, zo van ‘duh’ en zegt: “Ja, maar nu niet meer. Dat kan niet want hij is toch dohóód!”
Eigenlijk wil ik er nog even op doorgaan, maar het gaat zoals vaak als Joram ter sprake komt; Jongste is al weer met wat anders bezig. Hij kijkt naar het woordje ‘dood’: “Dat kan toch niet: d – oo – t”, hij wijst naar de eerste ‘d’ en daarna naar de laatste ‘d’, “dat kan toch niet met dezelfde letters.” Met stijgende verbazing hoor ik hem aan – hij kan nog helemaal niet lezen! Toch? Is hij al zo bezig met klank-tekenkoppeling? Hoe ondoorgrondelijk is onze zoon! En dus niet alleen als het om de verwerking van ook zijn grote verdriet gaat.
Hij wijst weer naar de letters, ik hoor hem nog in zichzelf murmelen, “d – oo – t”, en dan neemt hij het volgende inieminiehapje van zijn cracker en vraagt vervolgens of hij vandaag gele ranja in plaats van roosvicee mee naar school mag...

17 december 2009

Engel

Jongste is helemaal blij en opgewonden. We hebben een kerstboom! Net als het uitje met onze verjaardagen konden we ook hier niet onderuit. Kaarsjes op de schouw en in de vensterbank, een versierseltje hier en daar is natuurlijk niet genoeg. Nee, er moet ook een echte kerstboom anders is het geen kerst. En gelijk heeft ‘ie.
H. is een soepje aan het koken voor de lunch - kunnen we weer even warm worden na ons kerstboom-kopen-avontuur - en ik ga met Jongste de kerstboom optuigen. De dozen met ballen, lampjes en allerlei andere kerstsnuisterijen zijn van zolder gehaald en we zijn er helemaal klaar voor.
Jongste stuitert opgewonden rond de boom en is al bezig om geschikte plekjes te zoeken voor twee Disneykerstballen die hij heeft gekregen (met dank aan de C1000…) en ik doe de deksel van de eerste doos. Mijn blik valt meteen op allerlei werkjes die Joram en Jongste vorig jaar hebben gemaakt. En natuurlijk wist ik wel dat die gekleurde engeltjes, kerststerren en waxinelichthoudertjes gemaakt van babyvoedingpotjes er wel in zaten, maar toch, die aanblik komt hard aan. En daar sta ik dan, brok in mijn keel en ik voel de tranen alweer achter mijn ogen prikken. Nee, niet huilen nu. Dit moet ik voor Jongste nu niet verpesten. Dit is leuk. Blijf lachen.
Samen ontwarren we het snoer van de lampjes en helpt hij me daarna mee de lampjes vast te zetten. Dat veel naalden er bij deze actie meteen al afvallen kan ik er nu eigenlijk niet bij hebben, de hele vloer ligt ermee bezaaid, maar ik doe net of het me niet uitmaakt en vertel Jongste dat hij me straks mag helpen stofzuigen en dweilen. De kluit blijkt namelijk ook nog een blubberspoor van de voordeur tot in de kamer te hebben achter gelaten. Jongste is helemaal in zijn element en maakt een vreugdesprongetje bij het idee dat hij straks mag dweilen, lekker knoeien met water.
Door zijn enthousiasme en zijn voortdurend gekwek wordt het nog echt leuk ook. We zingen een kerstliedje dat hij op school geleerd heeft terwijl we de ballen ophangen. Hij besluit de blankhouten hangertjes met stift te gaan kleuren. Joram is er vorig jaar mee begonnen, maar vond het na één engeltje al genoeg. Jongste begint er met veel enthousiasme aan, maar houdt het na drie sterren – alle drie knalpaars - ook voor gezien. En als die sterren er ook in zijn gehangen (“Nee, dat moet jij niet doen, dat moet ik doen. Ik heb ze gekleurd.”) is de kerstboom klaar. Er zit alleen nog geen piek op. En dat komt omdat we geen piek hebben. Ik vind een piek namelijk niks. Maar in die doos zit een engel die Joram vorig jaar in groep drie gemaakt heeft. Vorig jaar hing hij voor het raam, maar dit jaar vind ik een boom en die waxinelichtjes wel genoeg. Ik hoef geen ster en ook geen engel voor het raam. Dus is die engel nu onze piek. En het is prachtig! Zo is het ook een beetje Jorams boom. Ik vind het bijna jammer dat die boom na de kerst straks weer weg moet…


14 december 2009

gastblog - gedichtsel

Er zit een gat in mijn ziel met jouw vorm
Het is een groot gat hoewel je klein was
Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo

Alle woorden die er zijn zijn niet genoeg
Alle liefs van de wereld is niet genoeg
Alle gemis van de wereld is niet genoeg
Want het gat in mijn ziel is toch groter

Wat is er mis
Ik
Ik mis
Jou
Zoals alleen wie niet meer terugkomt echt gemist kan worden



©Marije Elderenbosch

Mijn lieve vriendin Marije stuurde me prachtige gedichtsel afgelopen vrijdag. Dank je, en het is zo waar (schreef ze met een brok in haar keel).


NB! Ik heb de afgelopen weken al meerdere malen het verzoek gehad of dit gedicht doorgestuurd mag worden aan mensen die een geliefde, een kind, hebben verloren.
Het is natuurlijk een groot compliment voor de schrijfster van dit gedicht, mijn vriendin, maar als ik eerlijk ben heb ik hier moeite mee. Het gedicht is voor mij geschreven en gaat over ons mannetje, over Joram. De woorden uit dit gedicht zijn speciaal gekozen met hem in gedachten: 
"..Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo..."
Iedereen die Joram heeft gekend weet waarom deze woorden zijn gekozen.
Natuurlijk kan ik hier een discussie beginnen over een openbare blog, copyrights en dergelijke, maar daar kan en wil ik bij groot gebrek aan 'puf', niet aan beginnen. Dus, alsjeblieft, lees dit gedicht over ons mannetje met hem op je netvlies, met hem in je gedachten en als je het dan persé wilt doorsturen (ik kan het toch niet tegenhouden) vertel dan over hem, over wie hij was en dat het verdriet om hem, het gemis om hem dat grote gat in onze ziel heeft geslagen.
Ik hoop dat jullie hier begrip voor hebben, maar het alternatief is dit gedicht van deze blog halen en dat zou toch ook wel weer jammer zijn.

10 december 2009

"Je denkt zeker nog vaak aan hem"

Iedereen leest wel eens een overlijdensadvertentie van een kind. Of een artikeltje in de krant waarbij geschreven wordt over een ongeluk waarbij een kind betrokken was. Je probeert je dan wel eens te verplaatsen in de ouders, je voor te stellen hoe het voelt een kind te verliezen. Dat is moeilijk. Toen ik nog geen kinderen had probeerde ik het wel eens te vergelijken met het verlies van een dierbare, mijn moeder, oma of opa’s. Maar nadat de jongens geboren waren kreeg zo’n voorstelling een andere, extra, heftiger dimensie, want iedereen die kinderen heeft kent het gevoel van onvoorwaardelijke liefde na de geboorte van je kind.
Ik weet het, het klinkt zoetsappig en toen ik nog geen kinderen had was dit soort gewauwel een van de redenen om niet bij die club van ouders te horen, maar ik kan het niet helpen, het is nou eenmaal echt zo.
Dat gevoel begint al heel vroeg; ik weet niet of dat voor iedere moeder geldt maar bij mij was er een speciaal gevoel zodra ik wist dat ik zwanger was. Ik geloof niet dat het in mijn geval meteen die onvoorwaardelijke liefde was - het ging mijn voorstellingsvermogen een beetje te boven dat ik ook werkelijk na de zwangerschap een baby, onze baby, vast zou mogen houden. Maar er was wel een speciaal gevoel. En het was er de hele tijd. Ik hoefde niet bewust na te denken over het kindje dat in mijn buik groeide, het was er gewoon. In mijn hele ‘zijn’.
En dat werd nog sterker na de bevallingen. Het gevoel dat me overviel toen ik Joram voor het eerst zag was overweldigend. Het was een gevoel dat ik niet kende en ik weet nog dat ik er ook verbaasd over was. Je denkt dat je weet hoe het is om lief te hebben, om van iemand te houden. Maar houden van familie, kriebels in je buik te hebben van verliefdheid, is heel anders dan de liefde die je overspoelt na de geboorte van je kind. Ook hierbij is het geen kwestie van er over na hoeven denken, het is er gewoon. Altijd. Dag en nacht. Toen ik voor de tweede keer zwanger was, dacht ik enigszins voorbereid te zijn op wat ik zou gaan voelen en tegelijkertijd was ik bang dat ik geen er ruimte meer voor zou hebben, zo intens is het. Maar ook die tweede keer was het weer even heftig en bleek het helemaal geen probleem om van twee kinderen evenveel te houden.

“Je denk zeker nog vaak aan Joram”, is een zinnetje dat ik de laatste tijd veel hoor. En ja, dat is zo. Ik denk nog vaak aan hem. Heel vaak. Voortdurend kom ik situaties tegen waarbij ik geconfronteerd word met het feit dat hij er niet meer is. En nu hij er niet meer is wordt nog duidelijker hoe je door je kinderen in je hele doen en laten beïnvloed wordt. Het begint al bij het opstaan, waarbij we niet meer door Joram, bewust of onbewust, gewekt worden. Bij het maken van het ontbijt, naar school fietsen, boodschappen doen, de keuze van de tv-zender of film waarnaar gekeken wordt, de boeken die je leest, de gesprekken die je met mensen hebt… bij bijna alles wat je doet is er die confrontatie. Zelfs als je slaapt. Mijn ‘gaat-het-wel-goed-met-de-jongens-voelsprieten’ staan ook aan als ik slaap en als het dat niet is lig ik wel te woelen over ziekenhuizen en begrafenissen. Al die confrontaties maken dat ik inderdaad heel vaak aan hem denk. Maar dat zijn bewuste gedachten. Gedachten die niet alleen vervelend en verdrietig, maar soms ook prettig zijn. Omdat je door die confrontaties ook terugdenkt aan goede, warme, grappige, blije momenten.
Maar daarnaast is het niet zozeer een bewust denken. Zoals bij de geboorte van Joram me die intense liefde overviel, is er een ander gevoel bijgekomen. Eigenlijk meteen al na het ongeluk, toen ik hem voor het eerst zag liggen en ik meteen wist dat er voor altijd een tijd van ‘voor het ongeluk’ en een tijd van ‘na het ongeluk’ zou zijn.
Ik kan moeilijk woorden vinden om dat gevoel te omschrijven. Misschien heet het wel ‘gemis’ of ‘verdriet’ of ‘pijn’. Ik weet het niet. Sommige mensen omschrijven het als ‘amputatie van iets van jezelf’ en dat komt wel dicht in de buurt, maar toch ook weer niet. Niet om het te bagatelliseren of om iemand te kwetsen, echt niet, maar een amputatie van een arm of been, ach, dat lijkt me in dit kader zo gek nog niet. Ik kan alleen zeggen dat het een gevoel is dat je niet kan negeren. Het is er, net als die liefde, gewoon altijd. Ook als je er niet bewust over nadenkt. Of juist níet over na wil denken. En volgens mij is dit het wat het ook zo moeilijk maakt om je er een voorstelling van te maken. Volgens mij kún je dit niet voelen als het je niet is overkomen. En dat is maar goed ook.

4 december 2009

Eén kind, twee volwassenen

Je weet dat het er aan zit te komen, maar je bent helemaal niet in de stemming. Twee maanden na het overlijden van Joram hebben we een feestje. We zijn jarig. Jippie.
Normaal gesproken houden we er al niet zo van; onze verjaardag vieren. Doen we het al heel bescheiden met alleen familiebezoek, koffie, taart, drankje en een lekker hapje. Geen uitbundigheid en party’s voor onze verjaardag. Gelukkig zijn H. en ik bijna tegelijk jarig. Er zit maar een dag tussen en dat scheelt. Dan hebben we alles in een weekend gehad. Maar nu zijn we echt niet in de stemming voor een feestje al voelt het wel meer dan ooit bijzonder dat we weer een jaar ouder zijn geworden. (Wij wel…)
Gelukkig begrijpt (bijna) iedereen in onze directe omgeving ons en dringen ze verder niet aan om toch een taartje te komen eten en er eentje op te nemen. We krijgen zelfs hartverwarmende, meelevende berichtjes, een kaart van de klasgenootjes en juffen van Joram en bloemen. Maar Jongste is er ook nog en aan hem is het toch moeilijk uitleggen dat we dit jaar het liefst onze verjaardagen over zouden willen slaan. Op school heeft hij erg zijn best gedaan om twee werkjes voor ons te maken en dat terwijl hij bepaald geen lol in knutselen heeft. Om er zeker van te zijn dat we niet geconfronteerd worden met onverwacht bezoek voor de deur, gaan we zelf weg. ‘Iets leuks doen’.
Maar iets leuks doen zonder Joram is helemaal niet leuk. Het is moeilijk iets te verzinnen. Het klinkt misschien raar, maar het voelt als een soort verraad. Dat we een dagje uitgaan zonder hem. Hij had er ook bij willen zijn. Moeten zijn! Uiteindelijk kiezen we voor het Dolfinarium. Joram is daar voor de zomervakantie met schoolreisje naar toe geweest. Wij waren (dus) niet mee en daarom geeft dit een ander gevoel. Een ander gevoel omdat het zo’n beklemmend en verdrietig gevoel geeft te weten dat we ongetwijfeld nog zo veel dingen gaan doen die hij zou ook graag gedaan zou hebben, van genoten zou hebben, maar nooit mee zal maken. Nooit.
Het begint goed. De juffrouw achter de kassa wil natuurlijk weten met hoeveel we zijn. Ik was hier even niet op voorbereid, krijg meteen een brok in mijn keel en probeer heel hard mijn tranen binnen te houden en zeg: “Eén kind, twee volwassenen”. Vier woorden en zo’n impact! Ik besef meteen dat dit veel vaker zal gaan gebeuren. Het is ook raar dat het zoveel met jezelf doet en de juffrouw achter de kassa geen idee heeft. Je probeert zelf ook te doen alsof er niets aan de hand is, maar ondertussen… het zinnetje blijft de hele dag door mijn hoofd spoken.
Het wordt een dag waarbij ik, we, voortdurend de aanwezigheid van Joram voelen, hij loopt met ons mee. Bij elke stap die we zetten, zet hij er ook een. Bij alles wat we zien en doen bedenken we wat hij ervan gevonden zou hebben. Hoe hij lekker met zijn broertje gespeeld zou hebben in de ‘botenspeeltuin’, hoe enthousiast hij geweest zou zijn tijdens de shows (vooral de piratenshow!) en hoe hij waarschijnlijk alles aan ons van te voren zou verklappen omdat hij het allemaal al eens gezien had. Tegelijkertijd komen we er met enige verbazing achter dat hij ons wel heel weinig heeft verteld over deze dag.
Jongste is deze dag heel erg alleen. Toch geniet hij met volle teugen – dat werd voor hem ook wel weer eens tijd - . Hij kijkt vol ver- en bewondering naar die beesten in het water, ligt tijdens de shows dubbel van het schaterlachen en vertedert daarbij de mensen in het publiek om ons heen. (En ik kan het niet laten te denken dat ze eens moesten weten wat dit mannetje de afgelopen tijd meegemaakt heeft.)
We worden de hele dag verscheurd door zoveel verschillende gevoelens. Het plezier van Jongste maakt dat het een goede dag is. Ook voor ons, maar het besef dat we onherroepelijk nog zo vaak dingen zullen ondernemen zonder Joram, uitjes/vakanties/feestjes waar hij zo van genoten zou hebben, maakt het meteen ook een intens verdrietige dag.