Inspiratie

22 oktober 2010

Birthdayblues in het kwadraat

Het is acht juli 2010 tegen elven ’s avonds en we liggen samen in bed, H. en ik. We zijn hondsmoe en moeten eigenlijk slapen. Maar het wil maar niet lukken. We hebben allebei een knoop in onze maag, voelen ons ‘down’, de tranen zitten hoog. We hebben beide veel flashbacks.
“Weet je nog? Rond deze tijd wilde de verpleegkundige je nog een slaappil geven, wilde ze niet geloven dat je al uren vol in de weeën zat. Het CTG gaf het niet duidelijk aan en wat je voelde maakte blijkbaar niet veel uit.” We halen herinneringen op aan die dag waarop Joram geboren werd. Ik lag al weken af en aan in het ziekenhuis met bloedverlies, weeënactiviteit en later ook nog gebroken vliezen. Die dag, acht juli 2002, werd besloten dat ik ingeleid moest worden, volgens de bloeduitslagen bleek dat ik zelf een infectie aan het ontwikkelen was en uit de echo bleek dat ons baby’tje niet meer groeide. Na die belachelijke opmerking over dat ik maar een nacht goed moest slapen – nu het nog kon - en een slaappil zou krijgen, terwijl ik al uren aan het ‘puffen’ was, werd ik, eigenlijk alleen om mijn kamergenoot een goede nachtrust te gunnen, toch maar naar de verloskamers gebracht. Daar volgde een stortbevalling en even flinke paniek omdat de hartslag van ons baby’tje wegviel, maar zo'n anderhalf uur later, even na middennacht, was hij er al. Ons inieminiemannetje, 42 centimeter lang en maar 1600 gram. Zat hij in dat bubbeltjesplastic gewikkeld en keek hij ons met die grote blauwe ogen aan vanuit de couveuse. En de verpleegkundige nog zeggen dat de meeste kinderen hun ogen dicht doen als ze net geboren zijn en huilen. Nee, Joram niet. Die wilde vanaf het begin af aan alles volgen, bang iets te missen. Was meteen heel erg wakker. (En dat is daarna nooit meer anders geweest.)



We blijven praten, over die zwangerschap, de bevalling, die periode daarna in het ziekenhuis, het eerste jaar en de zeven jaren en verjaardagen die daar op volgden; “Weet je nog dat hij toen de kaarsjes met zijn handen uit wilde maken? Weet je nog, toen kreeg hij die houten garage maar hij vond het inpakpapier veel interessanter. Weet je nog van dat feestje in het bos? Weet je nog, vorig jaar net zeven geworden en een dag later op vakantie. Waren we maar niet gegaan…”
We proberen ze nog tegen te houden maar dan komen de tranen toch. Ik moet verschrikkelijk huilen en baal daarvan omdat ik dan morgen, en met een beetje pech ook overmorgen, weer van die dikke rode en branderige ogen heb. Alsof ik een klap in mijn gezicht heb gehad.
Morgen… de verjaardag van ons mannetje. Of eigenlijk niet verjaardag maar geboortedag. Verjaren zal hij niet meer doen. Ouder dan zeven jaar zal hij nooit worden. Het is intens verdrietig dat we ons er geen voorstelling van kunnen maken hoe het, nee híj, nu zou zijn. Hoe hij acht zou zijn. Hoe hij morgenochtend natuurlijk al weer vroeg wakker zou zijn, hoe hij met een verwachtingsvolle blik zijn cadeautjes uit zou pakken, hoe hij morgen de vlag zou hijsen op school, hoe er voor hem gezongen zou worden - lang zal hij leven! - , dat hij zou trakteren en de klassen rond zou mogen gaan en natuurlijk een feestje zou geven. Hoe trots hij zelf zou zijn: Acht jaar is echt groot!


Al dagen, weken hikken we tegen deze dag aan. Hoe vul je zo’n dag in? We zijn ontzettend blij dat ons mannetje ooit geboren werd, dat we hem hebben mogen kennen, van hem hebben mogen houden, maar het voelt absoluut niet als een feestdag. Willen we visite? Taart? Dat voelt toch niet goed. Maar niets doen, er geen aandacht aan geven voelt al helemaal niet goed.
En dan, na een onrustige nacht, is het negen juli. Een bloedhete dag, net als acht jaar geleden. We gaan naar Jorams graf. En nee, vandaag - nooit meer! - geen ‘vlaghijsen’ en toegezongen door de kinderen uit zijn klas. In plaats daarvan gaan zij ook naar zijn graf.
Samen met ouders en juffen staan ze voor de ingang van de begraafplaats en heerst er bijna een uitbundige stemming, maar zodra ze de begraafplaats oplopen worden ze stil. Ze hebben allemaal een dino’tje gemaakt en zetten deze een voor een bij Jorams graf neer. Sommige kinderen blijven even bij het graf zitten; bekijken en bevoelen het mozaïek, anderen lopen wat rond en gaan stoeien met Jongste die ook mee is. Sommige kinderen hebben het moeilijk. De meeste kinderen zijn hier het afgelopen jaar al geweest, een aantal meerdere keren, maar toch is het bijzonder om met zo’n grote groep vriendjes en vriendinnetjes om Jorams graf te staan. Te voelen dat hij toch altijd bij deze klas zal blijven horen.
Als de kinderen terug naar school gaan blijven wij nog even. Is er weer ruimte voor tranen. Samen huilen met opa en oma die ook langskomen. Samen koffiedrinken (zonder taart) en opnieuw herinneringen ophalen.
En het is er eigenlijk te warm voor, maar we willen niet thuisblijven met een onbestemd gevoel en dus gaan we ’s middags met de andere opa en oma naar het bos. We sjouwen een eind en hoewel het goed is even weg te zijn, te kunnen praten, blijft het gevoel heel erg dubbel. Vandaag is geen vrolijke verjaardag. De tranen blijven aan de oppervlakte en ’s avonds doen we de gordijnen dicht; hoe lief we het ook vinden van mensen die aan deze speciale dag denken, we willen even geen visite. We hebben er behoefte aan even met z’n drieën te zijn.
Misschien dat het anders gaat voelen met het verstrijken van de jaren en misschien lukt het dan ook een goede invulling te geven aan deze dag. Lukt het misschien beter om zijn leven, de jaren die hij bij ons was, te vieren in plaats van hem vooral met een intens verdrietig gevoel te herdenken. Maar vandaag hebben flashbacks en het gevoel van ontwricht en verscheurd zijn de overhand. En dat is bepaald geen feestje.