Inspiratie

20 februari 2011

"Beren op de weg"



Het is donderdagavond en het is al laat. De gordijnen zijn dicht. Ik heb geen zin om vanuit de woonkamer de donkerte in te kijken. En ook niet dat mensen zo bij mij binnen kunnen kijken en mij zo zien zitten. “Ach, kijk, wat triest hè? Heb je het al gehoord?”
De televisie staat aan. Ik weet zelf eigenlijk ook niet waarom. Misschien om geluid om me heen te hebben, maar ik luister en kijk niet eens. Ik zit op de bank met een laptop op schoot. Een glas wijn en een glas water staan naast me op de leuning, niet handig, dat gaat vast nog wel eens mis, maar dat boeit me nu niet; ik kan er goed bij zo. Jongste ligt boven op bed en eigenlijk zou ik ook moeten gaan slapen. Maar ik zit wat te Facebooken en lees op een forum over alleenstaande ouders met vakantieplannen. Ik wil niet op bed. Alleen op bed. Het is koud, te groot en veel te stil.
We zijn nog maar met z’n tweeën over. Jongste en ik.
H. ging twee weken geleden met vrienden naar een concert in Duitsland. Een concert van een of andere hardrockband, schreeuwmuziek. Ik hou daar niet van en dus ging ik niet mee. Handig, hoefden we ook geen oppas te regelen. Op de Deutsche Autobahn ging het mis. Het was zijn schuld niet. Het was een of andere idioot met te veel drank op. (Krijgen we dat ook weer, rechtszaken en zo.)  Het schijnt dat het meteen over was. Dat hij niet geleden heeft. Tenminste, dat vertelde de politie die hier midden in de nacht ineens aan de deur stond. Dat hij niet geleden heeft, geeft dan toch weer een soort van troost.
De begrafenis is al geweest. Heel anders dan met Joram. Toen konden we nog overleggen wat we wilden, maar nu… ik had geen idee. H. zei altijd dat hem het niet uitmaakte, hoe de begrafenis eruit zou zien. Zelf zou hij het toch niet meer meekrijgen. Nee, we moesten doen wat wij wilden. Maar ik wist het niet. Kon niet meer denken. Gelukkig stonden ook nu weer familie en vrienden voor ons klaar. Ook om Jongste op te vangen. En weer dezelfde lieve begrafenisbegeleidster. Het is uiteindelijk allemaal gelukt. Het opbaren thuis (in het oude kamertje van Jongste dat inmiddels H.’s kantoortje was geworden), het kaartje, die bijeenkomst, de muziek en begrafenis. God, wat mis hem!
Hij ligt begraven op dezelfde begraafplaats als Joram. Alleen niet samen in een graf. Omdat wij bij Joram voor een kindergraf hadden gekozen en niet voor een gewoon graf. In een kindergraf mag niet bijgeplaatst worden. Stom. Dat hebben we toen echt niet goed gedaan. Ik voel me verscheurd daar op die begraafplaats. Mijn kind in een mooi beschut hoekje en toch in de zon en mijn man in het midden, in de gure wind nog met een hoop zand en bloemen op zijn buik.
En nu zit ik hier in dat stille huis. Een foto van ons vieren staat op de schouw. Ik kijk er naar. Niet te geloven. In anderhalf jaar tijd is ons gezin gehalveerd. Ik weet niet eens of we nog wel in dit huis kunnen blijven wonen. Jan, onze verzekeringsman - en dat klonk altijd zo grappig - komt morgen langs. Hij zei dat ik me daarover niet druk moest maken. Dat hij het wel zou regelen. Dat we hier konden blijven wonen. Dat we niet uit onze vertrouwde omgeving hoefden. Ik heb alleen geen idee hoe hij dat voor zich ziet.
Ik kan het sowieso allemaal maar moeilijk overzien. Ik breng Jongste iedere dag naar school, maar als ik dan thuiskom dan weet ik eigenlijk niet eens meer precies wat ik tegen de juf of anderen heb gezegd.
En iedereen is weer zo lief. Bloemetjes, kaartjes, bezoekjes, heel veel bezoekjes. Soms plak ik een briefje op de deur, net als destijds bij Joram. Toen schreven we dat we even geen bezoek wilden omdat we ook tijd nodig hadden voor ons drieën. Nu met ons tweeën. Maar als we dan zo zitten met z’n tweeën heb ik spijt van dat briefje. Jongste en ik weten het samen ook even niet meer. Wat valt er nog te zeggen?
Ik zal moeten gaan werken. Da’s duidelijk. Ik weet ook niet hoe het anders moet. Financieel dan. Maar ik kan dat niet.  Ben zo uitgeput. En natuurlijk wil ik, nee, moet ik er ook voor Jongste zijn, juist nu. En ik was voorheen al zo moe van een ochtend vrijwilligerswerk, hoe moet dat nu wel niet voelen? Ik weet niet of ik dat wel kan. Zo moe.
Ik richt me weer op mijn scherm, op een georganiseerde vakantie voor alleenstaande ouders en hun kinderen. Alleenstaand, want gescheiden of weduwe of weduwnaar.Ik lees door; activiteiten voor kinderen, vriendjes maken voor kinderen en vrienden maken voor de ouders. Herkenning en erkenning, een half woord is genoeg, staat er. Misschien is dit wel wat, als het qua geld ook kan. Ik wil er nog wel wat van maken. Het moet voor Jongste ook ‘leuk’ blijven. Het is wel echt kamperen. In een tent. Dat heb ik zeker vijftien jaar niet gedaan. H. was echt geen kampeerder. We zaten altijd in een huisje of appartement. Hoe meer luxe hoe beter. Mij lijkt het wel wat. Een tent. En ik denk dat Jongste het ook wel leuk zou vinden. Ik zie hem al voor me, zijn hoogblonde natte haren van het zwemmen, een zongebruinde huid en met een handdoek om zich heengeslagen. Samen zitten we op van die klapstoeltjes voor de tent in onze eenpansmaaltijd te roeren die op zo'n blauw gasbrandertje staat. Het oogt best gezellig.
Ik zit blijkbaar weer een poos voor me uit te staren want ik schrik van het beeldscherm dat in de standbystand floept. Het is tijd. Ik klap de laptop dicht. Doe de televisie uit en met een grote teug drink ik mijn glas wijn leeg. Ik poets mijn tanden en controleer tig keer of de deuren wel goed op slot zitten en nee, brood smeren voor manlief hoeft niet meer. Ik loop naar boven met mijn sleutels en mijn mobieltje. Die zijn sinds twee weken mijn metgezellen, ze liggen naast me op het nachtkastje.
’s Morgens ontbijten Jongste en ik, de televisie staat aan. Het boeit me even niet meer en zo eet hij tenminste door. Ik breng hem naar school. Wil hem bij het afzetten op school even vasthouden, zoenen. Afscheid nemen, hem hier achter laten is heel moeilijk, nog moeilijker,  geworden. Maar Jongste wil niet. Hij vindt zichzelf te oud voor zoenen. “Dag mam, tot straks!” roept hij bij het hek. Een handkusje kan er nog net vanaf.
Thuisgekomen maak ik een kop koffie. In mijn broekzak trilt mijn mobiel en ik bekijk de sms: “Goedemorgen schat, Frühstück is achter de kiezen. Vertrekken zo. Het is gezellig maar mis je!” Ik weet niet hoe snel ik moet antwoorden dat ik hem ook mis en dat hij heel, heel voorzichtig moet zijn. En uit moet kijken voor auto's met dronken bestuurders.
Wanneer ik Jongste om twaalf uur uit school heb gehaald en naar huis toe fiets zie ik dat de auto van H. helemaal heel, ongeschonden, voor de deur staat en H. staat daarachter zwaaiend voor het raam. Er komt weer een kalmte over me heen. Ben weer rustig. Ik kan weer diep ademhalen.
Maar dan, ’s middags komt oma. Jongste gaat een weekend logeren. Twee nachtjes weg. Hij is ziek. Heeft oorontsteking en koorts en is erg stilletjes. Met een paracetamol voelt hij zich weer wat beter en we laten hem toch maar gaan. Hij heeft er zo'n zin in! Als het niet gaat zijn we binnen het uur bij hen om hem op te halen.
Samen zwaaien we oma en Jongste uit. H. en ik kijken elkaar aan en pakken elkaars hand. En we hoeven niets te zeggen. We weten precies wat de ander denkt; welke doemscenario's door ons hoofd flitsen.

H. en ik waren al geen onbezorgde ouders. Allebei hebben we op relatief jonge leeftijd onze moeders verloren. En onze mannetjes werden te vroeg, te klein en ziek geboren. Over de kwetsbaarheid van het leven hoefden wij niet veel meer te leren.
Na het overlijden van Joram is bezorgdheid omgeslagen in angst. Angst om wéér iemand te verliezen van wie we houden. Angst voor zichtbare en niet zichtbare gevaren. Onze ervaringen maken dat wij niet kunnen vertrouwen op statistieken. Wat is de kans dat je kind onder een deur komt? En wat is de kans dat het kind dan ook nog overlijdt?
Overal zien we potentieel gevaar. Te hard rijdende auto’s, een klimrek op school, een trekker en gereedschap op de kinderboerderij en dan heb je het nog niet eens over de dieren, het vijvertje en de strobalen. Maar ook de stoeprand, een losliggende zware steen, het ijs, het ijzer van een schaats, het zwembad, de glijbaan in het zwembad, een houten speelgoedzwaard… werkelijk overal.
Gelukkig wordt angst ook minder. Dat zal ook wel moeten, anders word je gek. Kun je nergens meer heen, niets meer doen. Jongste moet gewoon kunnen logeren en lekker kunnen ravotten op de kinderboerderij. H. moet gewoon naar een concert in Duitsland kunnen. En ik ook trouwens. Vlak na het overlijden van Joram was dat heel moeilijk. We deden die dingen wel, maar de angst was heel erg aanwezig. Nu is het minder. Is die angst niet overheersend, komt genieten op de voorgrond. Is het makkelijker los te laten.
Maar soms, als ik toch al niet zo lekker in mijn vel zit en ik alleen met mijn laptop op de bank zit en ik weet dat ik alleen in dat bed moet liggen, of als Jongste een weekend weg is en wij met z’n tweeën met een bord op schoot voor de tv zitten, dan schiet een scenario als hierboven in een paar seconden door mijn hoofd. Onze hoofden. Wat we voorheen als ‘beren op de weg’ bestempelden is realiteit geworden. En wat is de kans dat je dat je zoiets nog een keer overkomt? Wij hebben aan minder dan een half woord al genoeg.

Naschrift: ik krijg een aantal bezorgde reacties op deze blog dus even voor de duidelijkheid: het gaat best goed met me. Dit soort scenario's schieten me niet (meer) dagelijks door mijn hoofd. En omdat ik me zo bewust ben van de kwetsbaarheid van het leven maakt dat ook dat ik me erg bewust ben van de schoonheid daarvan. Genieten van kleine dingen. Carpe diem!