Lieve Joram,
Vijf jaar geleden moesten we je laten gaan. Lag jij in dat
veel te grote ziekenhuisbed letterlijk te happen naar adem. Je longen liepen
vol. Raspende en pruttelende geluiden en het was afschuwelijk te moeten zien hoe je smalle bleke borstkas onregelmatig
heftig introk, hoe jij vocht voor elke
ademteug.
Anderhalve dag daarvoor, maandagnacht, werd je nog
geoperereerd in een laatste mogelijkheid je leven te redden. Er zou aan beide kanten van je hoofd een deel van je schedel weggehaald worden om ruimte te geven aan
je gezwollen hersenen. Maar tijdens de operatie werd duidelijk dat de schade zo groot was dat je hiermee niet kon leven en werd de ingreep na een kant gestaakt.
In anderhalve dag kan er heel veel gebeuren. Een
orgaandonatieprocedure werd gestart en later weer gestopt, er was gesteggel
over de door de Officier van Justitie opgelegde obductie, iets wat wij niet wilden en waarvan we het nut ook niet van
inzagen - het was meer dan duidelijk wat de oorzaak van jouw doodgaan was. En jij, jij lag sterk te wezen in dat grote bed. En wij, wij hielden
ons met die andere dingen bezig maar lagen vooral naast je, tegen je aan.
Aaien, kusjes geven, liedjes zingen, verhalen vertellen, huilen en ook stil te zijn. Op net zo'n groot bed dat we gevraagd hadden naast het jouwe neer te zetten.
En toen, dinsdag rond een uur of vier, was het tijd. Tijd
om je te laten gaan. De beademing werd afgekoppeld en de verwachting van de
artsen was dat het niet lang zou duren voor je zou sterven. We hadden al
gevraagd; wat nou als hij dat niet gaat doen? Dit is Joram. Jullie kennen hem
niet, maar hij gaat het vast niet doen zoals jullie verwachten. Verwachtingen
en gemiddelden, daar doet Joram niet aan. En het was zo. Jij bleef ademen. Je
krachtige hart bleef kloppen. De middag, avond, nacht en ook de volgende ochtend bleef je ademen. Soms 6 keer per
minuut. Soms 25 keer per minuut. Je lijf was zo sterk dat je steeds weer een
nieuw ritme oppakte. De beademingstube zat nog in je keel. Dat moest. In
verband met de 'niet natuurlijke dood' die zou volgen moest alles blijven
zoals het op dat moment was. Infusen, katheters en tubes moesten dus aan je
lijf blijven zitten tot de schouwarts het, jou, had gezien.
Je ogen, je jukbeenderen, zwollen zo op dat er druppeltjes uit je huid
kwamen. Je prachtige gave gezicht veranderde in bijna onherkenbaar en leek doorzichtig bijna. Je hoofd verpakt in een groot wit verband waar her en der spikkeltjes bloed doorheen sijpelden.
Later werd als een vorm van
medisch handelen de tube toch uit je keel gehaald. Hierdoor werd je
ademweg meer belemmerd en was de verwachting dat je sneller zou sterven. Stikken dus eigenlijk.
Of het moeilijk kunnen loslaten, jouw verlatingsangst, de angst voor de dood die je al eens geuit had óf simpelweg jouw sterke lijf was, dat
weet ik niet. Ze waren ontzettend zwaar, maar jij gaf ons kostbare en
dierbare uren om nog bij je te zijn. (En je leefde zelfs nog toen de tijd voor de geplande obductie aanbrak, ha!) Maar het was zo moeilijk om jou zo te zien, te horen hoe je longen volliepen, hoe jij al die lange uren zo'n moeite moest
doen om nog een beetje zuurstof te krijgen, dat wij vroegen of er niet wat
gedaan kon worden om jouw onvermijdelijk sterven te verzachten, bespoedigen.
En zo kwam het. Het leek de artsen ook dat je leed, dat je niet comfortabel was. En om die reden mocht en kon er wat gedaan worden.
Daarmee maakten wij de keuze om jou los te laten. Dan
hoefde jij het niet te doen. Loslaten uit liefde. Hartverscheurend en heel,
heel erg eng.
Vijf jaar geleden. Tijd zit in een vacuum en is
tegelijkertijd vloeibaar. Vandaag ga ik mijn gang, doe de boodschappen, draai een was, lees een boek. Het is vakantie. Maar ik ben vooral bij jou, naast jou,
op dat grote bed. Ik voel je lijfje - zo bleek en zo intens koud zoals alleen de dood voelt, die al langzaam je lichaam overneemt - en hoor en zie je ademing. Ik leg
mijn hand op je borst, voel en luister en fluister zachtjes dat het oké is, dat je mag gaan. Ik wacht tot
de volgende intrekking van je borst, maar die komt niet meer. Ik voel en zie je hart nog even kloppen, heel snel, maar dan is het opeens onwerkelijk stil.
Vandaag ben je heel, heel dichtbij. Ik voel je aanwezigheid duidelijk. In de brok in mijn keel, in mijn rillingen en als zachte deken
om mij heen.
Vandaag is het net een beetje als vijf jaar geleden. Ik voel
de koude dood en de warme liefde. Intense, met mijn DNA-verweven, liefde voor jou,
Joram.