Inspiratie

24 februari 2012

Bizarre mijlpaal

Joram werd op 9 juli 2009 zeven jaar. De 20e juli veranderde zijn en ons leven voorgoed door het ongeluk, twee dagen later overleed hij, zeven jaar en dertien dagen oud. Jong.
Afgelopen weken waren rare weken. Het was dan wel geen juli, maar wel februari. De maand waarin Jongste, ook op de 9e, zeven jaar werd. Ook voor hem stonden we, net als bij Joram destijds, op zijn verjaardag op school onderaan de vlag die werd gehesen "Lang zal die leven" te zingen. (Hoewel ik dat natuurlijk wel wens, krijg ik dat lied voorgoed nauwelijks mijn strot uit. Lang zal die leven! Ja ja...)
Omdat die data van de zevende verjaardag van Joram en Jongste zo gelijk op gaan waren het weken van terugblikken, data vergelijken, van steeds naar Jongste kijken, vergelijken met herinneringen van Joram aan die tijd. Was Joram ook zo? Jongste is natuurlijk vooral lekker zichzelf maar begint in bepaalde opzichten meer op Joram te lijken, maar in mijn herinnering was en deed hij ouder. Niet zo zeer groter en wijzer, maar toch, ouder. Maar misschien is dat verbeelding. Tweeëneneenhalf jaar zonder voelt soms als twee dagen, twee weken, twee maanden, maar die blijken zomaar ineens ook lang genoeg om herinneringen te laten vertroebelen. Het maakt me verdrietig; ik weet niet precies meer hoe hij was, net zeven jaar.
We hebben de dagen afgeteld. De 20e februari ging voorbij zonder dat er iets geks gebeurde. Ook op de 22e waren er geen noemenswaardige bijzonderheden. Wij stonden op scherp, maar ook de nacht was rustig en de 23e begon als andere dagen. Een gewone normale school- en werkdag.

En dus hadden we afgelopen week een mijlpaal. Een bizarre mijlpaal die voor dubbele gevoelens zorgde. Verdriet, opluchting en dankbaarheid. Jongste is vanaf donderdag 23 februari voor altijd ouder dan zijn grote broer.
Het klopt niet. Jongste ouder en tegelijkertijd al meer dan een derde van zijn leven zonder zijn broer. Bizar. Toch hebben we elkaar donderdagochtend gefeliciteerd. "Dit heeft hij alvast maar gehaald."
Een ingebeeld magisch omslagpunt, zeven jaar en veertien dagen oud. Jong. Voor hem mogen we wel verder vooruit kijken.

Onderstaand prachtige, ontroerende gedicht kreeg ik van mijn vriendin Marije naar aanleiding van afgelopen dagen; ik deel het graag want het omschrijft zoals het is en voelt.


Vanaf de eerste zin lazen we gulzig, ademloos
bladzij na bladzij hongerig
naar wat je nu weer zou beleven.

We hoopten: heldenmoed, en avontuur. Een prachtig slot.
Niet middenin de laatste zin
het einde.

En toch lezen we door. Steeds door.
Nog slaan we blad- na bladzij om
Vertwijfeld door de witregels

Van wat niet is
Wat niet zal zijn
Wat nooit zal zijn geweest


(©Marije Elderenbosch)

25 oktober 2011

Kaïn en Abel, maar dan héél anders

“Het is mijn schuld dat Joram dood is. Van mij moest hij achter die deur kijken of daar monsters waren. Als ik niet had gezegd dat hij daar moest kijken, dan was hij ook niet dood geweest.”
Ik schrik en heb meteen een brok in mijn keel. H. en ik wisselen een snelle blik en gaan er meteen tegen in. “Lieverd, het is niet jouw schuld. Die deur had vast moeten zitten! Het is niet jóuw schuld dat die deur loszat en viel.”
“Ja, maar van mij moest hij die deur open doen” weerlegt Jongste.
Ik ga naast hem zitten maar hij schuift van me weg. “Maar jij wist toch niet dat die deur los zat, dat hij ging vallen? Als jij het niet had gevraagd, dan had Joram of een van de andere kinderen daar ook wel achter willen kijken. Dan was dit ook gebeurd. Dat komt toch niet door jou!”
Het heeft geen zin. Het gaat zoals vaak als wij iets willen beargumenteren of het serieus ergens over willen hebben. Jongste heeft dit in zijn hoofd en staat nu niet open voor onze argumenten. En hoe meer wij het er wel over willen hebben, hoe meer hij zich afsluit. Dit is blijkbaar niet het moment om er verder over te praten en ik besluit het voor nu nog een keer met: “Het is echt niet jouw schuld.”
We zijn op vakantie, het is twee jaar na dato. En hoewel anders, minder verlammend dan vorig jaar, is ook nu weer de leegte, de stilte, het gemis van Joram als een groot gapend gat volop aanwezig. Hij komt dus nog al eens ter sprake. Als Jongste ’s avonds op bed ligt hebben H. en ik het erover. Over de ‘bekentenis’ van Jongste. Want zo leek het haast. Zijn schuld.
Hoe moet zijn eigen gemis voelen? Hoe ervaart hij onze gesprekken over Joram? Hoe kijkt hij naar de foto en het kaarsje dat we mee hebben genomen en alle andere foto’s waar hij thuis mee geconfronteerd wordt. Denkt hij misschien ook dat we boos op hem zijn? Wat draagt ons zesjarig mannetje een onmenselijk zware last op zijn smalle schouders.
Het maakt me zo ontzettend verdrietig. Hoe kunnen we hem in hemelsnaam van die last verlossen? We praten er over maar Jongste een beetje kennende, weten we dat dit niet iets is dat te sturen valt. We kunnen niets anders doen dan hem goed in de gaten houden, hopen dat we signalen oppakken als er ‘iets mis’ dreigt te gaan, besluiten niet te pushen, maar proberen het binnenkort wel weer terloops ter sprake te brengen.

Op een donderdag in september staan Jongste en ik samen in de keuken. Ik doe een beetje tandpasta op zijn tandenborstel en geef hem aan Jongste. Tussen de middag mag hij altijd zelf zijn tandenpoetsen. “Goed onder, boven, voor en achter, maar niet te lang treuzelen want over een kwartier moeten we alweer op school zijn.”
Voordat hij de borstel in zijn mond steekt vraagt hij nog snel: “Wat betekent eigenlijk iemand de hersens inslaan?”
“Hè, hoe kom je daar nou bij?” vraag ik.
“Juf vertelde een verhaal over een broer die zijn andere broer de hersens in had geslagen. Toen ging die ene broer dood. Zou z’n vader toen ook boos zijn geworden?”
Terwijl hij staat te tandenpoetsen probeer ik te bedenken welk verhaal juf heeft vertelt, wat is dat voor verhaal met zulk soort geweld? En dat voor groep 3, is het iets van de televisie? Heb ik iets gemist? Opeens dringt het tot me door: “Ging het verhaal soms over Kaïn en Abel?”
Terwijl hij zijn mond spoelt probeert hij te knikken. Een lange sliert tandpastaspuug valt op zijn t-shirt. Zo goed en kwaad als het gaat probeer ik met een nat doekje zijn shirt te fatsoeneren en intussen vraag ik me af waarom hij dit gesprek begint. Het is vast niet alleen interesse naar de betekenis. Heeft hij zich vanochtend aangesproken gevoeld? Twee broers, de ene dood door de schuld van de ander? Als hem dit maar niet de hele ochtend heeft bezig gehouden, dat hij hiermee heeft moeten worstelen. Heeft de juf dit ook gemerkt? Ik voel in welke richting ik dit gesprek kan proberen te sturen en denk ook dat Jongste dat wil. De neiging om hem tegen me aan te trekken en hem vast te houden onderdruk ik want dan is het moment voorbij, is dit gesprek klaar. Niet te dichtbij komen nu, maar uitleg geven.
Terwijl we onze schoenen en onze jas aandoen probeer ik niet al te gedetailleerd maar wel duidelijk uit te leggen wat hersens inslaan betekent. Ik vraag me tegelijkertijd af of hij een bevestiging wil van wat hij vermoedt. Of hersens inslaan hetzelfde is, of er in ieder geval hetzelfde uitziet, als waaraan Joram overleed. Dat wat hij zo van dichtbij heeft gezien. Daar, nog bij de vakantieboerderij toen alles net gebeurd was, maar ook in het ziekenhuis. Dat wilde hij al vaker horen. Over gebroken botten in je gezicht en een gebroken schedel. Over hersenen, bloed, zwelling en blauwe plekken. En ja, ik denk dat zijn ouders zeker heel boos waren want Kaïn deed het met opzet, het was zijn bedoeling om Abel pijn te doen, te doden.
“Zou hij dan ook een straf hebben gekregen?”
Mijn Bijbelkennis is vrij belabberd, maar gelukkig herinner ik me dit verhaal. “Ja, hij heeft zeker straf gehad. Heeft juf dat ook verteld? Hij moest toch weg en rondzwerven?”
Het gesprek duurt voort, we zitten inmiddels op de fiets. Jongste blijft maar vragen stellen. Over hoe het zit over met opzet en per ongeluk en wanneer je dan straf krijgt en wanneer niet. Of je ook straf krijgt als iets per ongeluk gebeurt, of dat je dan geen straf krijgt maar dat je vader of je moeder dan weer wel boos worden. Of je ook schuld hebt als je iets per ongeluk doet of dat dat alleen zo is als je het met opzet doet. En kun je dan ook onschuldig zijn? Het is overduidelijk. Dit is iets wat onze zesjarige al lang bezighoudt.
Ik draag het ene voorbeeld na het andere aan. Dat je iets met opzet kunt doen maar dat je niet altijd meteen een straf krijgt. Als je bijvoorbeeld met opzet net doet of je niet hoort dat je naar bed moet. Maar dat je iets per ongeluk kunt doen en dat iemand anders daar toch boos over kan worden, toen je bijvoorbeeld twee keer achter elkaar je glas omstootte of als iemand per ongeluk een bal door een ruit schopt. Dat gaat per ongeluk maar het is niet leuk en sommige mensen zullen dan wel boos worden.
Als we halverwege zijn probeer ik het gesprek naar het ongeluk van Joram te sturen. Of hij nog weet dat de politie bij de boerderij was. Dat ze aan iedereen gingen vragen of ze gezien hadden wat er gebeurd was en meteen alles goed gingen onderzoeken. Dat de politie vond dat de boer van de boerderij een straf moest krijgen omdat de deur niet vastzat en dat Joram daardoor dood was gegaan. Maar dat de baas van de politie, de rechter, vond dat de boer wel beter op had moeten letten maar dat het niet zijn schuld was. De metselaar die voor de boer de deur had geplaatst heeft dat niet goed gedaan. Dat wist de boer niet. Die kon dus ook niet weten dat de deur zomaar op iemand zou kunnen vallen.
We zijn bij school. Zoon stapt af en blijft met de fiets aan zijn hand staan. Ik zie dat er iets veranderd is. “Oh, nou snap ik het! Nou snap ik waarom jullie toen in de vakantie zeiden dat het niet mijn schuld is. Het is de schuld van de metselaar. Die heeft de deur niet goed vastgemaakt. Eigenlijk moet hij straf krijgen en niet boer H.. Maar ja, de metselaar is al dood dus kan de politie hem niet in meer in de gevangenis doen. Maar misschien wist hij het wel helemaal niet dat hij het niet goed gemaakt had en dan was het per ongeluk. Ik weet niet of hij dan onschuldig was maar dan hoefde hij vast geen straf. En toch ben ik wel boos op hem.”
Voor ik antwoord kan geven loopt, huppelt, hij over het schoolplein naar het fietsenhok. De bel gaat.
We gaan samen naar binnen. Bij de kapstok hou ik hem nog even stevig vast en geef ik hem een kus. “Snap je echt dat het jouw schuld niet is? Dat jij er niets aan kon doen?”
“Ja. Echt. En nu houden we er over op.” Hij gaat de klas binnen. Hij heeft een brede lach op zijn gezicht.
Ik ben zo trots op hem! Kaïn en Abel, wat een verhaal. 
Ik loop, huppel, naar buiten. 

23 september 2011

"Mama, wil je alsjeblieft even meekomen?"

Vandaag, precies twee jaar geleden, op 20 juli 2009, veranderde ons leven voorgoed. Hieronder een relaas van wat er meteen daarna gebeurde. Of meer; hoe ik het beleefde. Een besef van tijd had ik niet zo, maar ik denk dat het zo'n twintig minuten tot een klein half uur beslaat.


“Mama, wil je alsjeblieft even mee komen?” Jongste pakt mijn hand terwijl ik even met de buurvrouw van twee appartementen verderop sta te kletsen en tegelijkertijd een wasje ophang. We zijn op vakantie in Limburg. Een prachtige plek, heuvels, weilanden en bossen om ons heen. We logeren in een appartement in een typisch Limburgse carréboerderij en hebben het goed. Het is echt vakantie; de jongens hebben vriendjes, kunnen hier lekker spelen en wij komen tot rust, lezen voor het eerst sinds tijden weer in een paar dagen een boek uit.
“Mama, wil je nou alsjeblieft komen?” Ik wil eigenlijk niet mee en liever tegen hem zeggen dat ik nu even sta te praten en zo wel even kom kijken. Maar hij pakt zo stevig mijn hand vast, begint al te trekken en hij vraagt het zo lief dus loop ik nietsvermoedend met hem mee.
Als ik de hoek van de boerderij om ga zie ik Joram verderop op de grond liggen. Een van de kinderen die ook op de boerderij logeert roept dat ik snel moet komen want er is allemaal bloed. Een fractie van een seconde denk ik dat dit geen leuke grapjes zijn en nog binnen diezelfde seconde bedenk ik me dat hij wel heel stil ligt. Joram en stil liggen zijn twee dingen die niet samen gaan.
Ik ren naar hem toe en zie meteen dat het heel erg fout is. Van de ene op de andere seconde ben ik kotsmisselijk.
Hij ligt in een onnatuurlijke houding met zijn benen onder zijn billen en ik zie bloed. Bloed in zijn gezicht, uit zijn mond, neus en oren. Oh shit, uit zijn oren! Wat me daarbij verschrikkelijk verontrust is dat zijn ogen zijn weggedraaid en hij buiten bewustzijn is. Ik kijk om mij heen. Wat is hier in hemelsnaam gebeurd? Ik zie een grote groene deur liggen en krijg vlagen mee van de kinderen die vertellen dat Joram daar onder lag en dat zij die deur van hem afgetild hebben. Hè? Onder díe deur? Ik probeer de situatie te overzien, maar dat lukt niet. Ik ben bang. Heel erg bang.
Ik kijk eens goed naar mijn zoon en ik moet slikken om niet over te geven. Hij ligt er niet goed bij, begint wat te reutelen en te kokhalzen, maar ik durf hem niet te draaien. Bang dat zijn rug gebroken is. Gelukkig zijn er snel andere ouders bij en wordt 112 gebeld. Ik hoor zeggen: “… jongetje onder een deur…” en ik vind dat niet ernstig genoeg klinken; de ambulance moet nú komen en schreeuw naar degene die belt dat Joram buiten bewustzijn is en er bloed uit neus, mond en oren komt. Zijn oren! Terwijl ik het roep schrik ik van mezelf. Dit is echt zo fout!
Iemand komt met een tuinstoelkussentje en legt deze onder Jorams hoofd; ik wil nog protesteren, weet niet of het gezien zijn rare houding verstandig is hem te verplaatsen, maar zie ook dat het nodig is hem op zijn zij te draaien omdat het bloed anders zijn longen in loopt. Ik help mee, haal zijn benen onder zijn billen vandaan en draai hem mee in stabiele zijligging. Terwijl we daar mee bezig zijn krijgt Joram rare trekkingen in zijn gezicht, een insult, en zie ik ook ineens een enorme bult met een rare vorm aan de rechterkant van zijn hoofd. Het kan niet anders of er zitten breuken in zijn schedel. Ik sta op scherp, maar ben heel gericht op Joram en merk nauwelijks wat er om me heen gebeurt. Ik weet niet wat ik moet doen. Het liefst zou ik hem in mijn armen nemen, kusjes geven, heen en weer wiegen en lieve woordjes tegen hem zeggen, beloven dat alles goed komt. Maar ik durf niet, ben zo bang hem, nog meer, pijn te doen en ik wil niet liegen want ik weet: het komt niet goed.
Ik heb geen idee hoe lang ik zo zit. Eindelijk hoor ik in de verte de sirenes van de ambulance en merk ik dat H., de boer en nog meer mensen er ook bij zijn komen staan. Iemand is naar de voorkant van de boerderij gelopen om de ambulance op te wachten en de weg te wijzen. De boer is overstuur en ik hoor hem steeds maar zeggen dat hij niet snapt wat er is gebeurd, hoe dit kan gebeuren. H. kijkt al net zo verdwaasd om zich heen. Ik vertel hem, ten overvloede, dat dit heel fout is en dat het nooit meer goed komt. Dat er altijd een ‘voor’ en een ‘na’ deze dag zal zijn. Ik weet zelf eigenlijk ook niet zo goed waarom ik dat precies zeg, maar wanneer we elkaar even, heel kort, echt aankijken lees ik de wanhoop in zijn ogen en dat hij het ook weet.
Als de verpleegkundigen van de ambulance naar Joram toelopen zie ik meteen dat ze schrikken en dat maakt me nog ongeruster. Ze zeggen nog niets over Joram zelf, maar vragen wat er gebeurd is. Ondertussen leggen ze een infuus aan en geven ze hem wat zuurstof door een maskertje voor zijn mond te leggen. Veel meer kunnen ze blijkbaar niet doen. Ik flap eruit dat ik niet wil dat Joram naar het ziekenhuis in Heerlen gaat. Ik vind dat ik daar goede redenen voor heb, maar nog voor ik dat uit kan leggen onderbreekt de verpleegkundige mij met de mededeling dat ze wachten op de heli en Joram naar Maastricht wordt gevlogen. Het woord ‘heli’ slaat in als een bom. Een traumahelikopter! En hoewel ik me al heel bewust was van de ernst van dit alles is het een bevestiging die ik niet wil horen.
Het wachten op die heli duurt me te lang. Ik ben onrustig en slik steeds mijn maaginhoud maar weer door. De boer houdt de infuuszak vast, H. zit bij Joram en de verpleegkundigen houden hem goed in de gaten. Ik voel me zo ontzettend misselijk. Ik móet naar de wc. Ik zeg dit nog snel tegen H. en ren, zo goed en kwaad als het gaat, naar ons appartement. Onderweg zie ik dat Jongste door de buurvrouw opgevangen is en ik zeg dat ik er zo aan kom.
Binnen in het appartement overvalt de surrealistische situatie mij compleet. Het ziet er zo gezellig uit. Er ligt een spelletje op tafel met twee koppen, nog warme, koffie ernaast. De houten treinbaan ligt helemaal uitgestald op de grond en de Playmobil en Lego die Joram nog geen twee weken geleden voor zijn zevende verjaardag kreeg staan op een andere tafel.
Terwijl ik boven de wc hang maakt mijn hoofd overuren. Ik probeer me zelf tot kalmte te dwingen en helder te denken. Het zal voor Jongste wel logeren worden dus moeten er kleren mee. Een pyama, tandenborstel, knuffels, puffers. Ik loop gehaast maar toch verbazingwekkend gericht, met een grote tas door het appartement en pak de spullen van de slaapkamer van Jongste en loop naar Jorams slaapkamer waar een grote kast staat waar voor beide jongens kleding in zit. Ik pak de kleren van Jongste en sta te twijfelen. Moet ik voor Joram ook nog wat meenemen? Ook een pyama misschien? Ik kijk de kamer rond en zie zijn nog onopgemaakte bed met zijn knuffels. Die moeten zeker mee, voor als hij weer bijkomt. En terwijl ik dat denk weet ik eigenlijk al beter. Ik wil die gedachte niet toelaten en probeer me weer te focussen. Weer beneden prop ik nog wat speelgoed voor Jongste in de tas en ren weer naar buiten om met dezelfde vaart weer naar binnen te gaan.
Denk nou helder! Ik word gek van de gedachten, flarden van gesprekken, herinneringen die zich aan me opdringen, de zwangerschap van Joram, ontbijten gisteren in Aken, Jorams verjaardag, hoe zat het nou ook alweer precies met het gebied van Wernicke en van Broca, wie moet ik allemaal bellen, Jongste, mag een van ons eigenlijk ook mee in de heli?
Spullen voor onszelf. Mijn tas. Hebben we cash? Verzekeringspasjes? Het fototoestel, waar is die? M’n telefoon en de opladers. Een boek? Geen boek, alsof we nu kunnen lezen. Ik ga ervan uit dat we ergens tijdens de komende dagen vast nog wel even terugkomen.
Weer buiten zie ik Jongste ontdaan en met een bleek gezichtje bij de buurvrouw staan en terwijl ik naar ze toeloop moet ik toch nog een keer overgeven in het gras. Ik hou Jongste vast en voordat ik echt besef wát ik zeg, vertel ik Jongste dat er straks een echte helikopter komt en dat Joram mee mag. “Stoer hè?”

30 mei 2011

De oneerlijke werkelijkheid

Joram moet opnieuw in de CT-scan. Het gaat helemaal niet goed. De druk in zijn hersenen loopt te veel op en ze willen weten hoe dat komt. Of er veranderingen zijn. En of ze er misschien wat aan kunnen doen.
Ons mooie mannetje… We hebben geen idee of hij überhaubt nog iets meekrijgt, maar ik wil het risico niet nemen en als dat zo is dan moet hij weten dat we bij hem zijn. Dat we om hem heen staan, zijn hand vasthouden. Ik ga dus mee. H. blijft bij Jongste. De verpleegkundige vraagt me of ik het zeker weet; ik mag toch niet mee naar binnen tijdens het maken van de scan, maar natuurlijk weet ik het zeker. Ik wil en moet mee. Joram moest ook al alleen met de traumaheli mee omdat we niet mee mochten – we gingen er met de ambulance achteraan. We waren nog onderweg toen hij al allerlei onderzoeken, helemaal alleen, moest ondergaan en toen wij eindelijk in het ziekenhuis aankwamen lag hij al voor de eerste keer in die CT-scanner.
Het is een hele happening. Twee neurochirurgen, de kinderarts-intensivist, een arts-assistent en twee verpleegkundigen lopen met het bed met allerlei apparatuur en slangetjes voor me uit. Het voelt alsof ik in een foute aflevering van ER ben beland, dit kan toch niet ècht gebeuren? Ik doe mijn best om ze bij te houden. Niks hand vasthouden, er voor hem zijn, gelukkig pas ik er nog bij als we met de lift moeten. Ik wil wel roepen: “Joram, ik ben er ook bij hoor!” Maar durf niet goed en hou me in.
We lopen door de gangen van ziekenhuis langs poliklinieken en wachtkamers, ik hobbel achter de witte stoet en mijn zoon aan. We zijn niet te negeren en ik voel dat mensen in het voorbijgaan of vanuit hun stoel toch even kijken en bemerk hun schrikreactie. Het is zo duidelijk, dit is heel ernstig! En dat daar, die mevrouw daar die er wat verwilderd achteraan loopt, dat moet de moeder wel zijn. Ik zie ze kijken en lees de gedachten in hun ogen, in hun houding en hun wegkijken.
We lopen de gang in bij de CT-wachtruimte en ik zie een meneer in een vale rode jas op het puntje van zijn stoel zitten. Hij is er overduidelijk helemaal klaar mee, met het lange wachten. Misschien heeft hij wel weken, maanden, op een wachtlijst gestaan om die CT-scanner in te mogen en dan moet hij hier ook alweer lang wachten. Ik vang zijn boze blik als hij ziet dat al die witte jassen de bocht nemen om de CT-ruimte in te gaan, zíjn CT-ruimte. Hij doet een poging tot opstaan, wil iets gaan zeggen maar houdt zijn mond als hij naar het bed kijkt dat voorbij komt. Als hij een bleek jongetje ziet met een veel pleisters vastgemaakte slang in zijn mond omdat hij beademd wordt, een jongetje met onnatuurlijk gezwollen ogen en waarvan het overduidelijk is dat er iets ergs met zijn hoofd aan de hand is. Ik zie de afschuw in zijn gezicht, hoe hij zich bedenkt, zijn mond weer dicht doet en hoe hij neerzakt op zijn stoel. In een fractie van een seconde verandert zijn hele houding van ongeduldig en opstandig naar verslagen.
Iedereen gaat naar binnen met mijn kind en ik moet buiten wachten. Ik wil ook mee! Ik kan mijn mannetje toch niet alleen die buis in laten gaan? Ik twijfel. Zal ik gewoon naar binnen lopen en eisen dat ik erbij wil zijn? Het is verdorie ons kind! Tegelijkertijd durf ik niet. Bang voor de beelden die ik dan zal zien, bang dat ik daarna steeds maar die scans zie elke keer als ik naar ons mannetje kijk, bang voor wat er komen gaat. Wat zien ze en wat betekenen de beelden? Wat moet Joram en wat moeten wij nog meer meemaken?
Er gaat voor de zoveelste keer vandaag een golf van misselijkheid door me heen. Ik weet niet hoe lang het gaat duren en voor het geval er iets onverwachts gebeurt wil ik toch ook niet weggaan. Ik plof op een van de stoelen en kijk opzij. Daar zit, wit weggetrokken en onderuit gezakt de meneer met die rode jas. Hij kijkt tegelijkertijd mijn kant op en draait meteen zijn hoofd weer opzij als hij ziet dat ik zijn kant op kijk. Maar ik heb zijn ogen gezien en zijn blik begrepen. Vol medelijden en verdriet. En toestemming: het is goed. Ik hoef niet in die CT-scanner, ik wacht wel.
Ik wil dit zo niet! Ik wil niet dat ons lieve mannetje dit moet ondergaan. Ik wil niet dat er zo veel haast bij moet zijn. Dat het zo erg is dat het niet kan wachten. Dat hij niet weken op een wachtlijst kan staan, maar het nú moet gebeuren. Ik wil niet dat er lucht in mijn kind geblazen moet worden omdat hij anders misschien wel dood gaat. Ik wil niet dat hij dat zwaargewonde jongetje is, dat hij misschien over een poosje wel dat jongetje in die rolstoel, dat gehandicapte jongetje is. “Weet je nog? Die kletste je vroeger de oren van het hoofd. Vooral over dinosaurussen. Zo zielig dat ‘ie dat nu niet meer kan.” Ik wil niet dat hij misschien dat kind wordt dat zulk ernstig hersenletsel had dat hij overleed na dat rare onbegrijpelijke ongeluk met die deur. “En oh ja, hij heette Joram.”
Ik sta op en slenter wat op en neer door de gang. Mijn hooft tolt van alle gedachten, angsten over eventuele behandelingen, operaties, revalidaties, een begrafenis… De rode jasmeneer blijft zitten en ik zie hem ongemakkelijk zijn. Twijfelend of hij wat zal zeggen. En wat ik net eigenlijk al voelde toen ik door de gangen achter iedereen aanliep, is nu nog duidelijker. Onze rollen zijn vanaf nu veranderd, mijn zoon is ‘dat jongetje’ en ik ben ‘die moeder’ geworden. Vanaf nu zijn wij de ouders van dat gehandicapte of, oh God, overleden kind. Ouders waar vol medelijden naar gekeken wordt omdat wij ons in een positie bevinden die niemand wil. Waar iedereen zo bang voor is. Vanaf nu zijn wij lid van de club waar niemand lid van wil zijn.
Het duurt lang daarbinnen en ik begin me erg ongemakkelijk te voelen, weet me geen houding te geven en voel de ogen van de rode jas en de andere mensen in mijn rug prikken en word ongedurig. Ik kan hier niet meer wachten. Jorams hand vasthouden mag toch ook al niet. Ik besluit om terug te gaan naar de PICU.
Als ik terugloop, zonder wit circus om achteraan te gaan, merk ik dat niemand meer kijkt. Voor buitenstaanders ben ik onopvallend, niet meer ‘die moeder van dat zwaargewonde jongetje’ maar gewoon een mevrouw die door de gangen van een ziekenhuis loopt. Dat de adrenaline door mijn lijf pompt, ik het gevoel heb dat ik voor de zoveelste keer vanmiddag moet overgeven, ik zo bang ben voor wat er nog komen gaat, ziet niemand.
Heel even voelt dat als een opluchting. Maar wat nu aan de buitenkant misschien niet te zien is voel ik wel van binnen in elke vezel van mijn lijf, in al mijn zorgen, al mijn angst en in al mijn liefde. In één, letterlijke, klap bèn ik dus ook ‘die moeder’, gedraag ik me ook zo, denk ik ook zo. Mijn hele perspectief, mijn moeder-zijn, vrouw-van-zijn, mijn hele ‘ik’ is voorgoed veranderd. Wij zijn nu ‘die ouders’ en Jongste is ‘het broertje van’ geworden. En hoewel die rollen in de toekomst misschien wel zullen vervagen en in het geval van Jongste nog wel bevochten en overwonnen zullen gaan worden, is dit het voor nu en de nabije toekomst, de oneerlijke werkelijkheid. We kunnen er met geen mogelijkheid voor vluchten, ook niet door anoniem in een ziekenhuis te lopen.
Teruggekomen op de PICU zie ik H. en Jongste samen met familie die ook gekomen is. Van een afstandje zie ik ze bij elkaar staan, zie ik ze praten, hun bezorgde blikken, hun angst en zie ik ze elkaar vasthouden.
Alles wordt anders. Niets zal het meer hetzelfde zijn. Ik loop er heen en hou ze ook heel stevig vast.

20 februari 2011

"Beren op de weg"



Het is donderdagavond en het is al laat. De gordijnen zijn dicht. Ik heb geen zin om vanuit de woonkamer de donkerte in te kijken. En ook niet dat mensen zo bij mij binnen kunnen kijken en mij zo zien zitten. “Ach, kijk, wat triest hè? Heb je het al gehoord?”
De televisie staat aan. Ik weet zelf eigenlijk ook niet waarom. Misschien om geluid om me heen te hebben, maar ik luister en kijk niet eens. Ik zit op de bank met een laptop op schoot. Een glas wijn en een glas water staan naast me op de leuning, niet handig, dat gaat vast nog wel eens mis, maar dat boeit me nu niet; ik kan er goed bij zo. Jongste ligt boven op bed en eigenlijk zou ik ook moeten gaan slapen. Maar ik zit wat te Facebooken en lees op een forum over alleenstaande ouders met vakantieplannen. Ik wil niet op bed. Alleen op bed. Het is koud, te groot en veel te stil.
We zijn nog maar met z’n tweeën over. Jongste en ik.
H. ging twee weken geleden met vrienden naar een concert in Duitsland. Een concert van een of andere hardrockband, schreeuwmuziek. Ik hou daar niet van en dus ging ik niet mee. Handig, hoefden we ook geen oppas te regelen. Op de Deutsche Autobahn ging het mis. Het was zijn schuld niet. Het was een of andere idioot met te veel drank op. (Krijgen we dat ook weer, rechtszaken en zo.)  Het schijnt dat het meteen over was. Dat hij niet geleden heeft. Tenminste, dat vertelde de politie die hier midden in de nacht ineens aan de deur stond. Dat hij niet geleden heeft, geeft dan toch weer een soort van troost.
De begrafenis is al geweest. Heel anders dan met Joram. Toen konden we nog overleggen wat we wilden, maar nu… ik had geen idee. H. zei altijd dat hem het niet uitmaakte, hoe de begrafenis eruit zou zien. Zelf zou hij het toch niet meer meekrijgen. Nee, we moesten doen wat wij wilden. Maar ik wist het niet. Kon niet meer denken. Gelukkig stonden ook nu weer familie en vrienden voor ons klaar. Ook om Jongste op te vangen. En weer dezelfde lieve begrafenisbegeleidster. Het is uiteindelijk allemaal gelukt. Het opbaren thuis (in het oude kamertje van Jongste dat inmiddels H.’s kantoortje was geworden), het kaartje, die bijeenkomst, de muziek en begrafenis. God, wat mis hem!
Hij ligt begraven op dezelfde begraafplaats als Joram. Alleen niet samen in een graf. Omdat wij bij Joram voor een kindergraf hadden gekozen en niet voor een gewoon graf. In een kindergraf mag niet bijgeplaatst worden. Stom. Dat hebben we toen echt niet goed gedaan. Ik voel me verscheurd daar op die begraafplaats. Mijn kind in een mooi beschut hoekje en toch in de zon en mijn man in het midden, in de gure wind nog met een hoop zand en bloemen op zijn buik.
En nu zit ik hier in dat stille huis. Een foto van ons vieren staat op de schouw. Ik kijk er naar. Niet te geloven. In anderhalf jaar tijd is ons gezin gehalveerd. Ik weet niet eens of we nog wel in dit huis kunnen blijven wonen. Jan, onze verzekeringsman - en dat klonk altijd zo grappig - komt morgen langs. Hij zei dat ik me daarover niet druk moest maken. Dat hij het wel zou regelen. Dat we hier konden blijven wonen. Dat we niet uit onze vertrouwde omgeving hoefden. Ik heb alleen geen idee hoe hij dat voor zich ziet.
Ik kan het sowieso allemaal maar moeilijk overzien. Ik breng Jongste iedere dag naar school, maar als ik dan thuiskom dan weet ik eigenlijk niet eens meer precies wat ik tegen de juf of anderen heb gezegd.
En iedereen is weer zo lief. Bloemetjes, kaartjes, bezoekjes, heel veel bezoekjes. Soms plak ik een briefje op de deur, net als destijds bij Joram. Toen schreven we dat we even geen bezoek wilden omdat we ook tijd nodig hadden voor ons drieën. Nu met ons tweeën. Maar als we dan zo zitten met z’n tweeën heb ik spijt van dat briefje. Jongste en ik weten het samen ook even niet meer. Wat valt er nog te zeggen?
Ik zal moeten gaan werken. Da’s duidelijk. Ik weet ook niet hoe het anders moet. Financieel dan. Maar ik kan dat niet.  Ben zo uitgeput. En natuurlijk wil ik, nee, moet ik er ook voor Jongste zijn, juist nu. En ik was voorheen al zo moe van een ochtend vrijwilligerswerk, hoe moet dat nu wel niet voelen? Ik weet niet of ik dat wel kan. Zo moe.
Ik richt me weer op mijn scherm, op een georganiseerde vakantie voor alleenstaande ouders en hun kinderen. Alleenstaand, want gescheiden of weduwe of weduwnaar.Ik lees door; activiteiten voor kinderen, vriendjes maken voor kinderen en vrienden maken voor de ouders. Herkenning en erkenning, een half woord is genoeg, staat er. Misschien is dit wel wat, als het qua geld ook kan. Ik wil er nog wel wat van maken. Het moet voor Jongste ook ‘leuk’ blijven. Het is wel echt kamperen. In een tent. Dat heb ik zeker vijftien jaar niet gedaan. H. was echt geen kampeerder. We zaten altijd in een huisje of appartement. Hoe meer luxe hoe beter. Mij lijkt het wel wat. Een tent. En ik denk dat Jongste het ook wel leuk zou vinden. Ik zie hem al voor me, zijn hoogblonde natte haren van het zwemmen, een zongebruinde huid en met een handdoek om zich heengeslagen. Samen zitten we op van die klapstoeltjes voor de tent in onze eenpansmaaltijd te roeren die op zo'n blauw gasbrandertje staat. Het oogt best gezellig.
Ik zit blijkbaar weer een poos voor me uit te staren want ik schrik van het beeldscherm dat in de standbystand floept. Het is tijd. Ik klap de laptop dicht. Doe de televisie uit en met een grote teug drink ik mijn glas wijn leeg. Ik poets mijn tanden en controleer tig keer of de deuren wel goed op slot zitten en nee, brood smeren voor manlief hoeft niet meer. Ik loop naar boven met mijn sleutels en mijn mobieltje. Die zijn sinds twee weken mijn metgezellen, ze liggen naast me op het nachtkastje.
’s Morgens ontbijten Jongste en ik, de televisie staat aan. Het boeit me even niet meer en zo eet hij tenminste door. Ik breng hem naar school. Wil hem bij het afzetten op school even vasthouden, zoenen. Afscheid nemen, hem hier achter laten is heel moeilijk, nog moeilijker,  geworden. Maar Jongste wil niet. Hij vindt zichzelf te oud voor zoenen. “Dag mam, tot straks!” roept hij bij het hek. Een handkusje kan er nog net vanaf.
Thuisgekomen maak ik een kop koffie. In mijn broekzak trilt mijn mobiel en ik bekijk de sms: “Goedemorgen schat, Frühstück is achter de kiezen. Vertrekken zo. Het is gezellig maar mis je!” Ik weet niet hoe snel ik moet antwoorden dat ik hem ook mis en dat hij heel, heel voorzichtig moet zijn. En uit moet kijken voor auto's met dronken bestuurders.
Wanneer ik Jongste om twaalf uur uit school heb gehaald en naar huis toe fiets zie ik dat de auto van H. helemaal heel, ongeschonden, voor de deur staat en H. staat daarachter zwaaiend voor het raam. Er komt weer een kalmte over me heen. Ben weer rustig. Ik kan weer diep ademhalen.
Maar dan, ’s middags komt oma. Jongste gaat een weekend logeren. Twee nachtjes weg. Hij is ziek. Heeft oorontsteking en koorts en is erg stilletjes. Met een paracetamol voelt hij zich weer wat beter en we laten hem toch maar gaan. Hij heeft er zo'n zin in! Als het niet gaat zijn we binnen het uur bij hen om hem op te halen.
Samen zwaaien we oma en Jongste uit. H. en ik kijken elkaar aan en pakken elkaars hand. En we hoeven niets te zeggen. We weten precies wat de ander denkt; welke doemscenario's door ons hoofd flitsen.

H. en ik waren al geen onbezorgde ouders. Allebei hebben we op relatief jonge leeftijd onze moeders verloren. En onze mannetjes werden te vroeg, te klein en ziek geboren. Over de kwetsbaarheid van het leven hoefden wij niet veel meer te leren.
Na het overlijden van Joram is bezorgdheid omgeslagen in angst. Angst om wéér iemand te verliezen van wie we houden. Angst voor zichtbare en niet zichtbare gevaren. Onze ervaringen maken dat wij niet kunnen vertrouwen op statistieken. Wat is de kans dat je kind onder een deur komt? En wat is de kans dat het kind dan ook nog overlijdt?
Overal zien we potentieel gevaar. Te hard rijdende auto’s, een klimrek op school, een trekker en gereedschap op de kinderboerderij en dan heb je het nog niet eens over de dieren, het vijvertje en de strobalen. Maar ook de stoeprand, een losliggende zware steen, het ijs, het ijzer van een schaats, het zwembad, de glijbaan in het zwembad, een houten speelgoedzwaard… werkelijk overal.
Gelukkig wordt angst ook minder. Dat zal ook wel moeten, anders word je gek. Kun je nergens meer heen, niets meer doen. Jongste moet gewoon kunnen logeren en lekker kunnen ravotten op de kinderboerderij. H. moet gewoon naar een concert in Duitsland kunnen. En ik ook trouwens. Vlak na het overlijden van Joram was dat heel moeilijk. We deden die dingen wel, maar de angst was heel erg aanwezig. Nu is het minder. Is die angst niet overheersend, komt genieten op de voorgrond. Is het makkelijker los te laten.
Maar soms, als ik toch al niet zo lekker in mijn vel zit en ik alleen met mijn laptop op de bank zit en ik weet dat ik alleen in dat bed moet liggen, of als Jongste een weekend weg is en wij met z’n tweeën met een bord op schoot voor de tv zitten, dan schiet een scenario als hierboven in een paar seconden door mijn hoofd. Onze hoofden. Wat we voorheen als ‘beren op de weg’ bestempelden is realiteit geworden. En wat is de kans dat je dat je zoiets nog een keer overkomt? Wij hebben aan minder dan een half woord al genoeg.

Naschrift: ik krijg een aantal bezorgde reacties op deze blog dus even voor de duidelijkheid: het gaat best goed met me. Dit soort scenario's schieten me niet (meer) dagelijks door mijn hoofd. En omdat ik me zo bewust ben van de kwetsbaarheid van het leven maakt dat ook dat ik me erg bewust ben van de schoonheid daarvan. Genieten van kleine dingen. Carpe diem!