Joram moet opnieuw in de CT-scan. Het gaat helemaal niet goed. De druk in zijn hersenen loopt te veel op en ze willen weten hoe dat komt. Of er veranderingen zijn. En of ze er misschien wat aan kunnen doen.
Ons mooie mannetje… We hebben geen idee of hij überhaubt nog iets meekrijgt, maar ik wil het risico niet nemen en als dat zo is dan moet hij weten dat we bij hem zijn. Dat we om hem heen staan, zijn hand vasthouden. Ik ga dus mee. H. blijft bij Jongste. De verpleegkundige vraagt me of ik het zeker weet; ik mag toch niet mee naar binnen tijdens het maken van de scan, maar natuurlijk weet ik het zeker. Ik wil en moet mee. Joram moest ook al alleen met de traumaheli mee omdat we niet mee mochten – we gingen er met de ambulance achteraan. We waren nog onderweg toen hij al allerlei onderzoeken, helemaal alleen, moest ondergaan en toen wij eindelijk in het ziekenhuis aankwamen lag hij al voor de eerste keer in die CT-scanner.
Het is een hele happening. Twee neurochirurgen, de kinderarts-intensivist, een arts-assistent en twee verpleegkundigen lopen met het bed met allerlei apparatuur en slangetjes voor me uit. Het voelt alsof ik in een foute aflevering van ER ben beland, dit kan toch niet ècht gebeuren? Ik doe mijn best om ze bij te houden. Niks hand vasthouden, er voor hem zijn, gelukkig pas ik er nog bij als we met de lift moeten. Ik wil wel roepen: “Joram, ik ben er ook bij hoor!” Maar durf niet goed en hou me in.
We lopen door de gangen van ziekenhuis langs poliklinieken en wachtkamers, ik hobbel achter de witte stoet en mijn zoon aan. We zijn niet te negeren en ik voel dat mensen in het voorbijgaan of vanuit hun stoel toch even kijken en bemerk hun schrikreactie. Het is zo duidelijk, dit is heel ernstig! En dat daar, die mevrouw daar die er wat verwilderd achteraan loopt, dat moet de moeder wel zijn. Ik zie ze kijken en lees de gedachten in hun ogen, in hun houding en hun wegkijken.
We lopen de gang in bij de CT-wachtruimte en ik zie een meneer in een vale rode jas op het puntje van zijn stoel zitten. Hij is er overduidelijk helemaal klaar mee, met het lange wachten. Misschien heeft hij wel weken, maanden, op een wachtlijst gestaan om die CT-scanner in te mogen en dan moet hij hier ook alweer lang wachten. Ik vang zijn boze blik als hij ziet dat al die witte jassen de bocht nemen om de CT-ruimte in te gaan, zíjn CT-ruimte. Hij doet een poging tot opstaan, wil iets gaan zeggen maar houdt zijn mond als hij naar het bed kijkt dat voorbij komt. Als hij een bleek jongetje ziet met een veel pleisters vastgemaakte slang in zijn mond omdat hij beademd wordt, een jongetje met onnatuurlijk gezwollen ogen en waarvan het overduidelijk is dat er iets ergs met zijn hoofd aan de hand is. Ik zie de afschuw in zijn gezicht, hoe hij zich bedenkt, zijn mond weer dicht doet en hoe hij neerzakt op zijn stoel. In een fractie van een seconde verandert zijn hele houding van ongeduldig en opstandig naar verslagen.
Iedereen gaat naar binnen met mijn kind en ik moet buiten wachten. Ik wil ook mee! Ik kan mijn mannetje toch niet alleen die buis in laten gaan? Ik twijfel. Zal ik gewoon naar binnen lopen en eisen dat ik erbij wil zijn? Het is verdorie ons kind! Tegelijkertijd durf ik niet. Bang voor de beelden die ik dan zal zien, bang dat ik daarna steeds maar die scans zie elke keer als ik naar ons mannetje kijk, bang voor wat er komen gaat. Wat zien ze en wat betekenen de beelden? Wat moet Joram en wat moeten wij nog meer meemaken?
Er gaat voor de zoveelste keer vandaag een golf van misselijkheid door me heen. Ik weet niet hoe lang het gaat duren en voor het geval er iets onverwachts gebeurt wil ik toch ook niet weggaan. Ik plof op een van de stoelen en kijk opzij. Daar zit, wit weggetrokken en onderuit gezakt de meneer met die rode jas. Hij kijkt tegelijkertijd mijn kant op en draait meteen zijn hoofd weer opzij als hij ziet dat ik zijn kant op kijk. Maar ik heb zijn ogen gezien en zijn blik begrepen. Vol medelijden en verdriet. En toestemming: het is goed. Ik hoef niet in die CT-scanner, ik wacht wel.
Ik wil dit zo niet! Ik wil niet dat ons lieve mannetje dit moet ondergaan. Ik wil niet dat er zo veel haast bij moet zijn. Dat het zo erg is dat het niet kan wachten. Dat hij niet weken op een wachtlijst kan staan, maar het nú moet gebeuren. Ik wil niet dat er lucht in mijn kind geblazen moet worden omdat hij anders misschien wel dood gaat. Ik wil niet dat hij dat zwaargewonde jongetje is, dat hij misschien over een poosje wel dat jongetje in die rolstoel, dat gehandicapte jongetje is. “Weet je nog? Die kletste je vroeger de oren van het hoofd. Vooral over dinosaurussen. Zo zielig dat ‘ie dat nu niet meer kan.” Ik wil niet dat hij misschien dat kind wordt dat zulk ernstig hersenletsel had dat hij overleed na dat rare onbegrijpelijke ongeluk met die deur. “En oh ja, hij heette Joram.”
Ik sta op en slenter wat op en neer door de gang. Mijn hooft tolt van alle gedachten, angsten over eventuele behandelingen, operaties, revalidaties, een begrafenis… De rode jasmeneer blijft zitten en ik zie hem ongemakkelijk zijn. Twijfelend of hij wat zal zeggen. En wat ik net eigenlijk al voelde toen ik door de gangen achter iedereen aanliep, is nu nog duidelijker. Onze rollen zijn vanaf nu veranderd, mijn zoon is ‘dat jongetje’ en ik ben ‘die moeder’ geworden. Vanaf nu zijn wij de ouders van dat gehandicapte of, oh God, overleden kind. Ouders waar vol medelijden naar gekeken wordt omdat wij ons in een positie bevinden die niemand wil. Waar iedereen zo bang voor is. Vanaf nu zijn wij lid van de club waar niemand lid van wil zijn.
Het duurt lang daarbinnen en ik begin me erg ongemakkelijk te voelen, weet me geen houding te geven en voel de ogen van de rode jas en de andere mensen in mijn rug prikken en word ongedurig. Ik kan hier niet meer wachten. Jorams hand vasthouden mag toch ook al niet. Ik besluit om terug te gaan naar de PICU.
Als ik terugloop, zonder wit circus om achteraan te gaan, merk ik dat niemand meer kijkt. Voor buitenstaanders ben ik onopvallend, niet meer ‘die moeder van dat zwaargewonde jongetje’ maar gewoon een mevrouw die door de gangen van een ziekenhuis loopt. Dat de adrenaline door mijn lijf pompt, ik het gevoel heb dat ik voor de zoveelste keer vanmiddag moet overgeven, ik zo bang ben voor wat er nog komen gaat, ziet niemand.
Heel even voelt dat als een opluchting. Maar wat nu aan de buitenkant misschien niet te zien is voel ik wel van binnen in elke vezel van mijn lijf, in al mijn zorgen, al mijn angst en in al mijn liefde. In één, letterlijke, klap bèn ik dus ook ‘die moeder’, gedraag ik me ook zo, denk ik ook zo. Mijn hele perspectief, mijn moeder-zijn, vrouw-van-zijn, mijn hele ‘ik’ is voorgoed veranderd. Wij zijn nu ‘die ouders’ en Jongste is ‘het broertje van’ geworden. En hoewel die rollen in de toekomst misschien wel zullen vervagen en in het geval van Jongste nog wel bevochten en overwonnen zullen gaan worden, is dit het voor nu en de nabije toekomst, de oneerlijke werkelijkheid. We kunnen er met geen mogelijkheid voor vluchten, ook niet door anoniem in een ziekenhuis te lopen.
Teruggekomen op de PICU zie ik H. en Jongste samen met familie die ook gekomen is. Van een afstandje zie ik ze bij elkaar staan, zie ik ze praten, hun bezorgde blikken, hun angst en zie ik ze elkaar vasthouden.
Alles wordt anders. Niets zal het meer hetzelfde zijn. Ik loop er heen en hou ze ook heel stevig vast.
1 opmerking:
Warme knuffel voor jullie!! Ik word helemaal in jouw wereld gezogen en tegelijkertijd besef ik me dat ik dan bij lange na niet de angst, het verdriet, de wanhoop, al die rondtollende gedachten.. me voor kan stellen..
Veel sterkte en liefs!
Een reactie posten