Inspiratie

30 mei 2011

De oneerlijke werkelijkheid

Joram moet opnieuw in de CT-scan. Het gaat helemaal niet goed. De druk in zijn hersenen loopt te veel op en ze willen weten hoe dat komt. Of er veranderingen zijn. En of ze er misschien wat aan kunnen doen.
Ons mooie mannetje… We hebben geen idee of hij überhaubt nog iets meekrijgt, maar ik wil het risico niet nemen en als dat zo is dan moet hij weten dat we bij hem zijn. Dat we om hem heen staan, zijn hand vasthouden. Ik ga dus mee. H. blijft bij Jongste. De verpleegkundige vraagt me of ik het zeker weet; ik mag toch niet mee naar binnen tijdens het maken van de scan, maar natuurlijk weet ik het zeker. Ik wil en moet mee. Joram moest ook al alleen met de traumaheli mee omdat we niet mee mochten – we gingen er met de ambulance achteraan. We waren nog onderweg toen hij al allerlei onderzoeken, helemaal alleen, moest ondergaan en toen wij eindelijk in het ziekenhuis aankwamen lag hij al voor de eerste keer in die CT-scanner.
Het is een hele happening. Twee neurochirurgen, de kinderarts-intensivist, een arts-assistent en twee verpleegkundigen lopen met het bed met allerlei apparatuur en slangetjes voor me uit. Het voelt alsof ik in een foute aflevering van ER ben beland, dit kan toch niet ècht gebeuren? Ik doe mijn best om ze bij te houden. Niks hand vasthouden, er voor hem zijn, gelukkig pas ik er nog bij als we met de lift moeten. Ik wil wel roepen: “Joram, ik ben er ook bij hoor!” Maar durf niet goed en hou me in.
We lopen door de gangen van ziekenhuis langs poliklinieken en wachtkamers, ik hobbel achter de witte stoet en mijn zoon aan. We zijn niet te negeren en ik voel dat mensen in het voorbijgaan of vanuit hun stoel toch even kijken en bemerk hun schrikreactie. Het is zo duidelijk, dit is heel ernstig! En dat daar, die mevrouw daar die er wat verwilderd achteraan loopt, dat moet de moeder wel zijn. Ik zie ze kijken en lees de gedachten in hun ogen, in hun houding en hun wegkijken.
We lopen de gang in bij de CT-wachtruimte en ik zie een meneer in een vale rode jas op het puntje van zijn stoel zitten. Hij is er overduidelijk helemaal klaar mee, met het lange wachten. Misschien heeft hij wel weken, maanden, op een wachtlijst gestaan om die CT-scanner in te mogen en dan moet hij hier ook alweer lang wachten. Ik vang zijn boze blik als hij ziet dat al die witte jassen de bocht nemen om de CT-ruimte in te gaan, zíjn CT-ruimte. Hij doet een poging tot opstaan, wil iets gaan zeggen maar houdt zijn mond als hij naar het bed kijkt dat voorbij komt. Als hij een bleek jongetje ziet met een veel pleisters vastgemaakte slang in zijn mond omdat hij beademd wordt, een jongetje met onnatuurlijk gezwollen ogen en waarvan het overduidelijk is dat er iets ergs met zijn hoofd aan de hand is. Ik zie de afschuw in zijn gezicht, hoe hij zich bedenkt, zijn mond weer dicht doet en hoe hij neerzakt op zijn stoel. In een fractie van een seconde verandert zijn hele houding van ongeduldig en opstandig naar verslagen.
Iedereen gaat naar binnen met mijn kind en ik moet buiten wachten. Ik wil ook mee! Ik kan mijn mannetje toch niet alleen die buis in laten gaan? Ik twijfel. Zal ik gewoon naar binnen lopen en eisen dat ik erbij wil zijn? Het is verdorie ons kind! Tegelijkertijd durf ik niet. Bang voor de beelden die ik dan zal zien, bang dat ik daarna steeds maar die scans zie elke keer als ik naar ons mannetje kijk, bang voor wat er komen gaat. Wat zien ze en wat betekenen de beelden? Wat moet Joram en wat moeten wij nog meer meemaken?
Er gaat voor de zoveelste keer vandaag een golf van misselijkheid door me heen. Ik weet niet hoe lang het gaat duren en voor het geval er iets onverwachts gebeurt wil ik toch ook niet weggaan. Ik plof op een van de stoelen en kijk opzij. Daar zit, wit weggetrokken en onderuit gezakt de meneer met die rode jas. Hij kijkt tegelijkertijd mijn kant op en draait meteen zijn hoofd weer opzij als hij ziet dat ik zijn kant op kijk. Maar ik heb zijn ogen gezien en zijn blik begrepen. Vol medelijden en verdriet. En toestemming: het is goed. Ik hoef niet in die CT-scanner, ik wacht wel.
Ik wil dit zo niet! Ik wil niet dat ons lieve mannetje dit moet ondergaan. Ik wil niet dat er zo veel haast bij moet zijn. Dat het zo erg is dat het niet kan wachten. Dat hij niet weken op een wachtlijst kan staan, maar het nú moet gebeuren. Ik wil niet dat er lucht in mijn kind geblazen moet worden omdat hij anders misschien wel dood gaat. Ik wil niet dat hij dat zwaargewonde jongetje is, dat hij misschien over een poosje wel dat jongetje in die rolstoel, dat gehandicapte jongetje is. “Weet je nog? Die kletste je vroeger de oren van het hoofd. Vooral over dinosaurussen. Zo zielig dat ‘ie dat nu niet meer kan.” Ik wil niet dat hij misschien dat kind wordt dat zulk ernstig hersenletsel had dat hij overleed na dat rare onbegrijpelijke ongeluk met die deur. “En oh ja, hij heette Joram.”
Ik sta op en slenter wat op en neer door de gang. Mijn hooft tolt van alle gedachten, angsten over eventuele behandelingen, operaties, revalidaties, een begrafenis… De rode jasmeneer blijft zitten en ik zie hem ongemakkelijk zijn. Twijfelend of hij wat zal zeggen. En wat ik net eigenlijk al voelde toen ik door de gangen achter iedereen aanliep, is nu nog duidelijker. Onze rollen zijn vanaf nu veranderd, mijn zoon is ‘dat jongetje’ en ik ben ‘die moeder’ geworden. Vanaf nu zijn wij de ouders van dat gehandicapte of, oh God, overleden kind. Ouders waar vol medelijden naar gekeken wordt omdat wij ons in een positie bevinden die niemand wil. Waar iedereen zo bang voor is. Vanaf nu zijn wij lid van de club waar niemand lid van wil zijn.
Het duurt lang daarbinnen en ik begin me erg ongemakkelijk te voelen, weet me geen houding te geven en voel de ogen van de rode jas en de andere mensen in mijn rug prikken en word ongedurig. Ik kan hier niet meer wachten. Jorams hand vasthouden mag toch ook al niet. Ik besluit om terug te gaan naar de PICU.
Als ik terugloop, zonder wit circus om achteraan te gaan, merk ik dat niemand meer kijkt. Voor buitenstaanders ben ik onopvallend, niet meer ‘die moeder van dat zwaargewonde jongetje’ maar gewoon een mevrouw die door de gangen van een ziekenhuis loopt. Dat de adrenaline door mijn lijf pompt, ik het gevoel heb dat ik voor de zoveelste keer vanmiddag moet overgeven, ik zo bang ben voor wat er nog komen gaat, ziet niemand.
Heel even voelt dat als een opluchting. Maar wat nu aan de buitenkant misschien niet te zien is voel ik wel van binnen in elke vezel van mijn lijf, in al mijn zorgen, al mijn angst en in al mijn liefde. In één, letterlijke, klap bèn ik dus ook ‘die moeder’, gedraag ik me ook zo, denk ik ook zo. Mijn hele perspectief, mijn moeder-zijn, vrouw-van-zijn, mijn hele ‘ik’ is voorgoed veranderd. Wij zijn nu ‘die ouders’ en Jongste is ‘het broertje van’ geworden. En hoewel die rollen in de toekomst misschien wel zullen vervagen en in het geval van Jongste nog wel bevochten en overwonnen zullen gaan worden, is dit het voor nu en de nabije toekomst, de oneerlijke werkelijkheid. We kunnen er met geen mogelijkheid voor vluchten, ook niet door anoniem in een ziekenhuis te lopen.
Teruggekomen op de PICU zie ik H. en Jongste samen met familie die ook gekomen is. Van een afstandje zie ik ze bij elkaar staan, zie ik ze praten, hun bezorgde blikken, hun angst en zie ik ze elkaar vasthouden.
Alles wordt anders. Niets zal het meer hetzelfde zijn. Ik loop er heen en hou ze ook heel stevig vast.

20 februari 2011

"Beren op de weg"



Het is donderdagavond en het is al laat. De gordijnen zijn dicht. Ik heb geen zin om vanuit de woonkamer de donkerte in te kijken. En ook niet dat mensen zo bij mij binnen kunnen kijken en mij zo zien zitten. “Ach, kijk, wat triest hè? Heb je het al gehoord?”
De televisie staat aan. Ik weet zelf eigenlijk ook niet waarom. Misschien om geluid om me heen te hebben, maar ik luister en kijk niet eens. Ik zit op de bank met een laptop op schoot. Een glas wijn en een glas water staan naast me op de leuning, niet handig, dat gaat vast nog wel eens mis, maar dat boeit me nu niet; ik kan er goed bij zo. Jongste ligt boven op bed en eigenlijk zou ik ook moeten gaan slapen. Maar ik zit wat te Facebooken en lees op een forum over alleenstaande ouders met vakantieplannen. Ik wil niet op bed. Alleen op bed. Het is koud, te groot en veel te stil.
We zijn nog maar met z’n tweeën over. Jongste en ik.
H. ging twee weken geleden met vrienden naar een concert in Duitsland. Een concert van een of andere hardrockband, schreeuwmuziek. Ik hou daar niet van en dus ging ik niet mee. Handig, hoefden we ook geen oppas te regelen. Op de Deutsche Autobahn ging het mis. Het was zijn schuld niet. Het was een of andere idioot met te veel drank op. (Krijgen we dat ook weer, rechtszaken en zo.)  Het schijnt dat het meteen over was. Dat hij niet geleden heeft. Tenminste, dat vertelde de politie die hier midden in de nacht ineens aan de deur stond. Dat hij niet geleden heeft, geeft dan toch weer een soort van troost.
De begrafenis is al geweest. Heel anders dan met Joram. Toen konden we nog overleggen wat we wilden, maar nu… ik had geen idee. H. zei altijd dat hem het niet uitmaakte, hoe de begrafenis eruit zou zien. Zelf zou hij het toch niet meer meekrijgen. Nee, we moesten doen wat wij wilden. Maar ik wist het niet. Kon niet meer denken. Gelukkig stonden ook nu weer familie en vrienden voor ons klaar. Ook om Jongste op te vangen. En weer dezelfde lieve begrafenisbegeleidster. Het is uiteindelijk allemaal gelukt. Het opbaren thuis (in het oude kamertje van Jongste dat inmiddels H.’s kantoortje was geworden), het kaartje, die bijeenkomst, de muziek en begrafenis. God, wat mis hem!
Hij ligt begraven op dezelfde begraafplaats als Joram. Alleen niet samen in een graf. Omdat wij bij Joram voor een kindergraf hadden gekozen en niet voor een gewoon graf. In een kindergraf mag niet bijgeplaatst worden. Stom. Dat hebben we toen echt niet goed gedaan. Ik voel me verscheurd daar op die begraafplaats. Mijn kind in een mooi beschut hoekje en toch in de zon en mijn man in het midden, in de gure wind nog met een hoop zand en bloemen op zijn buik.
En nu zit ik hier in dat stille huis. Een foto van ons vieren staat op de schouw. Ik kijk er naar. Niet te geloven. In anderhalf jaar tijd is ons gezin gehalveerd. Ik weet niet eens of we nog wel in dit huis kunnen blijven wonen. Jan, onze verzekeringsman - en dat klonk altijd zo grappig - komt morgen langs. Hij zei dat ik me daarover niet druk moest maken. Dat hij het wel zou regelen. Dat we hier konden blijven wonen. Dat we niet uit onze vertrouwde omgeving hoefden. Ik heb alleen geen idee hoe hij dat voor zich ziet.
Ik kan het sowieso allemaal maar moeilijk overzien. Ik breng Jongste iedere dag naar school, maar als ik dan thuiskom dan weet ik eigenlijk niet eens meer precies wat ik tegen de juf of anderen heb gezegd.
En iedereen is weer zo lief. Bloemetjes, kaartjes, bezoekjes, heel veel bezoekjes. Soms plak ik een briefje op de deur, net als destijds bij Joram. Toen schreven we dat we even geen bezoek wilden omdat we ook tijd nodig hadden voor ons drieën. Nu met ons tweeën. Maar als we dan zo zitten met z’n tweeën heb ik spijt van dat briefje. Jongste en ik weten het samen ook even niet meer. Wat valt er nog te zeggen?
Ik zal moeten gaan werken. Da’s duidelijk. Ik weet ook niet hoe het anders moet. Financieel dan. Maar ik kan dat niet.  Ben zo uitgeput. En natuurlijk wil ik, nee, moet ik er ook voor Jongste zijn, juist nu. En ik was voorheen al zo moe van een ochtend vrijwilligerswerk, hoe moet dat nu wel niet voelen? Ik weet niet of ik dat wel kan. Zo moe.
Ik richt me weer op mijn scherm, op een georganiseerde vakantie voor alleenstaande ouders en hun kinderen. Alleenstaand, want gescheiden of weduwe of weduwnaar.Ik lees door; activiteiten voor kinderen, vriendjes maken voor kinderen en vrienden maken voor de ouders. Herkenning en erkenning, een half woord is genoeg, staat er. Misschien is dit wel wat, als het qua geld ook kan. Ik wil er nog wel wat van maken. Het moet voor Jongste ook ‘leuk’ blijven. Het is wel echt kamperen. In een tent. Dat heb ik zeker vijftien jaar niet gedaan. H. was echt geen kampeerder. We zaten altijd in een huisje of appartement. Hoe meer luxe hoe beter. Mij lijkt het wel wat. Een tent. En ik denk dat Jongste het ook wel leuk zou vinden. Ik zie hem al voor me, zijn hoogblonde natte haren van het zwemmen, een zongebruinde huid en met een handdoek om zich heengeslagen. Samen zitten we op van die klapstoeltjes voor de tent in onze eenpansmaaltijd te roeren die op zo'n blauw gasbrandertje staat. Het oogt best gezellig.
Ik zit blijkbaar weer een poos voor me uit te staren want ik schrik van het beeldscherm dat in de standbystand floept. Het is tijd. Ik klap de laptop dicht. Doe de televisie uit en met een grote teug drink ik mijn glas wijn leeg. Ik poets mijn tanden en controleer tig keer of de deuren wel goed op slot zitten en nee, brood smeren voor manlief hoeft niet meer. Ik loop naar boven met mijn sleutels en mijn mobieltje. Die zijn sinds twee weken mijn metgezellen, ze liggen naast me op het nachtkastje.
’s Morgens ontbijten Jongste en ik, de televisie staat aan. Het boeit me even niet meer en zo eet hij tenminste door. Ik breng hem naar school. Wil hem bij het afzetten op school even vasthouden, zoenen. Afscheid nemen, hem hier achter laten is heel moeilijk, nog moeilijker,  geworden. Maar Jongste wil niet. Hij vindt zichzelf te oud voor zoenen. “Dag mam, tot straks!” roept hij bij het hek. Een handkusje kan er nog net vanaf.
Thuisgekomen maak ik een kop koffie. In mijn broekzak trilt mijn mobiel en ik bekijk de sms: “Goedemorgen schat, Frühstück is achter de kiezen. Vertrekken zo. Het is gezellig maar mis je!” Ik weet niet hoe snel ik moet antwoorden dat ik hem ook mis en dat hij heel, heel voorzichtig moet zijn. En uit moet kijken voor auto's met dronken bestuurders.
Wanneer ik Jongste om twaalf uur uit school heb gehaald en naar huis toe fiets zie ik dat de auto van H. helemaal heel, ongeschonden, voor de deur staat en H. staat daarachter zwaaiend voor het raam. Er komt weer een kalmte over me heen. Ben weer rustig. Ik kan weer diep ademhalen.
Maar dan, ’s middags komt oma. Jongste gaat een weekend logeren. Twee nachtjes weg. Hij is ziek. Heeft oorontsteking en koorts en is erg stilletjes. Met een paracetamol voelt hij zich weer wat beter en we laten hem toch maar gaan. Hij heeft er zo'n zin in! Als het niet gaat zijn we binnen het uur bij hen om hem op te halen.
Samen zwaaien we oma en Jongste uit. H. en ik kijken elkaar aan en pakken elkaars hand. En we hoeven niets te zeggen. We weten precies wat de ander denkt; welke doemscenario's door ons hoofd flitsen.

H. en ik waren al geen onbezorgde ouders. Allebei hebben we op relatief jonge leeftijd onze moeders verloren. En onze mannetjes werden te vroeg, te klein en ziek geboren. Over de kwetsbaarheid van het leven hoefden wij niet veel meer te leren.
Na het overlijden van Joram is bezorgdheid omgeslagen in angst. Angst om wéér iemand te verliezen van wie we houden. Angst voor zichtbare en niet zichtbare gevaren. Onze ervaringen maken dat wij niet kunnen vertrouwen op statistieken. Wat is de kans dat je kind onder een deur komt? En wat is de kans dat het kind dan ook nog overlijdt?
Overal zien we potentieel gevaar. Te hard rijdende auto’s, een klimrek op school, een trekker en gereedschap op de kinderboerderij en dan heb je het nog niet eens over de dieren, het vijvertje en de strobalen. Maar ook de stoeprand, een losliggende zware steen, het ijs, het ijzer van een schaats, het zwembad, de glijbaan in het zwembad, een houten speelgoedzwaard… werkelijk overal.
Gelukkig wordt angst ook minder. Dat zal ook wel moeten, anders word je gek. Kun je nergens meer heen, niets meer doen. Jongste moet gewoon kunnen logeren en lekker kunnen ravotten op de kinderboerderij. H. moet gewoon naar een concert in Duitsland kunnen. En ik ook trouwens. Vlak na het overlijden van Joram was dat heel moeilijk. We deden die dingen wel, maar de angst was heel erg aanwezig. Nu is het minder. Is die angst niet overheersend, komt genieten op de voorgrond. Is het makkelijker los te laten.
Maar soms, als ik toch al niet zo lekker in mijn vel zit en ik alleen met mijn laptop op de bank zit en ik weet dat ik alleen in dat bed moet liggen, of als Jongste een weekend weg is en wij met z’n tweeën met een bord op schoot voor de tv zitten, dan schiet een scenario als hierboven in een paar seconden door mijn hoofd. Onze hoofden. Wat we voorheen als ‘beren op de weg’ bestempelden is realiteit geworden. En wat is de kans dat je dat je zoiets nog een keer overkomt? Wij hebben aan minder dan een half woord al genoeg.

Naschrift: ik krijg een aantal bezorgde reacties op deze blog dus even voor de duidelijkheid: het gaat best goed met me. Dit soort scenario's schieten me niet (meer) dagelijks door mijn hoofd. En omdat ik me zo bewust ben van de kwetsbaarheid van het leven maakt dat ook dat ik me erg bewust ben van de schoonheid daarvan. Genieten van kleine dingen. Carpe diem!

18 januari 2011

Vasthouden en loslaten

Tijdens de bijeenkomst van de begrafenis van Joram hebben we het nummer 'Vanaf Vandaag' gedraaid, uitgevoerd door Rob de Nijs. Ik kende de muziek van Rob de Nijs eigenlijk helemaal niet zo goed maar dit nummer had ik al wel eens op Youtube opgezocht. Naar aanleiding van 'een draadje' op een forum dat ging over muziek bij begrafenissen van kinderen. Toen meteen al een tranentrekker, niet wetende dat wij het lied zelf nog eens zouden uitkiezen bij een begrafenis. De begrafenis van ons eigen kind.
De tekst van dat lied sprak ons enorm aan en verwoordt wat wij voelden en nog steeds voelen. ‘Vanaf vandaag leef jij in mij, niet bij die bomen, niet in die kist, maar in mij. Voor altijd in mij.’ En het voelt nog steeds zo, in elke vezel van mijn lijf voel ik Joram. Bij elke stap die ik zet, waar ik ook heen ga, hij is bij mij.
Dat geldt overigens ook voor Jongste, maar op een andere manier. Met hem kan ik nog lijfelijk contact hebben, nog vasthouden, met hem stoeien, knuffelen en kussen. Hem moet ik lijfelijk ook los laten, als hij naar school gaat, bij een vriendje is of uit logeren gaat, maar hij komt als het goed is steeds weer terug – daar proberen we zo goed en kwaad als dat gaat toch maar steeds weer vanuit te gaan. En dat is ook de reden waarom ik Joram niet meer op die manier kan loslaten. Omdat hij nooit, nooit meer terugkomt wil ik alles wat hem aan mij bindt vasthouden. En daarom is hij misschien nog wel dieper en vooral op een andere manier, in mij aanwezig dan Jongste. Jongste leidt nog wel zijn eigen leven, heeft, hoe moeilijk en beangstigend dat voor ons soms ook is, het recht om losgelaten te worden; te veel vasthouden belemmert hem in het groter groeien. Maar voor Joram geldt dat niet en dat maakt dat ik alles wat er nog van hem is, aan hem doet denken, wil vasthouden, koesteren. ‘Vanaf vandaag leef jij in mij. Ik zal twee levens leven, met jou in mij.’
Tegelijkertijd maakt het me zo verdrietig. De tijd gaat maar door en hoewel hij dus figuurlijk nog steeds, voor altijd, heel dichtbij me is, verdwijnt hij letterlijk steeds meer uit ons leven. Naast de vele gebeurtenissen waar Joram er nu niet meer bij is maar er ooit wel bij was; verjaardagen, vakanties, bepaalde gebeurtenissen gedurende het jaar (Sinterklaas, Kerst ed.), bepaalde plaatsen, zijn er ook steeds meer waarbij we geen enkele associatie met hem hebben. Hij was er niet bij, zal er ook nooit meer bij zijn en daarom staat het zo los van hem. Daarbij is er sinds het overlijden van Joram zoveel om ons heen verandert dat hij zelf steeds meer geschiedenis wordt. En dat doet pijn. Heel erg pijn.
Het moeilijkst is denk ik nog wel dat we er zelf nog aan meedoen ook. Dat we dus ‘gewoon’ uitstapjes maken en op vakantie gaan zonder hem.  Dat we dingen veranderen die we nooit veranderd hadden als hij er nog was geweest, in ieder geval niet op deze manier.
Je ziet op televisie, vooral in politieseries, wel eens ouders die de kamer van hun overleden of vermiste kind laten zien. Vaak nog helemaal in dezelfde staat als voor het overlijden of vermissing van hun kind. “Vroeger” (lees: voor het overlijden van Joram) leek mij dat niet goed. Het leek me ongezond en het rouwproces
 in de weg staan om jarenlang een kamer hetzelfde te houden, alsof het kind nog zo binnen kon stappen – al was het bewuste kind waarschijnlijk al volwassen geweest als het nog geleefd had. Misschien dat ik er op een later moment wel anders over denk, maar nu begrijp ik die ouders helemaal. 
Het is dat koesteren en vasthouden van je kind. Met het weinige van wat er nog van hem is, zijn aanwezigheid proberen te voelen. Maar ook om de keiharde waarheid weer in volle omvang tot me door te laten dringen, dat allesoverheersende schreeuwende gemis op een andere manier binnen te laten komen. In een bui van zelfmedelijden, als de tranen maar niet willen komen maar ze zo aan de oppervlakte zitten. Dan is die kamer een middel om Joram te voelen en te huilen.
Maar dan praat ik over mezelf. Rouwen is in vele opzichten een eenzaam proces en voor iedereen zo verschillend. Ik heb dat zo af en toe nodig, maar dat wil niet zeggen dat dat voor anderen ook op die manier geldt. Of op dezelfde plek. H. heeft dat veel minder dan ik dat heb en al helemaal niet zo zeer bij Jorams kamer. En ik geloof ook niet dat Jongste dat heeft. Ik denk dat hij het meer als een gegeven ziet dat het Jorams kamer was maar dat je er nu zonder gestoord te worden door je broer, leuk kan spelen. Hij zal daarbij vast wel eens aan Joram denken, maar het lijkt hem niet te belemmeren.
Een jaar lang is Jorams kamer nog Jorams kamer gebleven. Noemden we het ook zo. En het had van mij ook nog wel kunnen wachten. Om van Jorams kamer de kamer van Jongste te maken. Maar Jongste heeft een heel klein kamertje en groeit zijn peuterbed uit. Hij heeft een ‘groot bed’ nodig en dat past niet in dat kamertje. We hadden ideeën om op zolder te gaan verbouwen, om daar een grotere slaapkamer te maken. Maar toen overleed Joram was er ineens een kamer ‘over’ en al vrij snel waren we het er over eens dat een grote verbouwing dan toch wel zot is en dat Jongste, als hij dat zelf tenminste zou willen, dan wel in Jorams kamer zou kunnen. We hoefden hem dat geen twee keer te vragen en het ging hem daarna ook niet snel genoeg. Hij wilde meteen wel ‘verhuizen’. Ook H. had hier geen moeite mee, maar ik kon het nog niet. Was er nog niet aan toe. Wilde nog de mogelijkheid nog hebben om me er terug te trekken. En had tijd nodig om ook hiervan afscheid te nemen. Los te laten.
Uiteindelijk ben ik in de zomervakantie begonnen met het uitzoeken van de spullen. Ik had al wel wat kleding en speelgoed uitgezocht maar verder stond alles stond nog net zo in zijn kamer als voor onze, zijn noodlottige, vakantie en de dagen voor de begrafenis waarbij Joram in zijn eigen bed lag.
Als het aan Jongste had gelegen was alles bij het oude gebleven. Er hoefde wat hem betreft niets te veranderen, het bed, het bureau, de kleuren op de muren, het was goed zo. En misschien was dat voor hem ook koesteren van wat van Joram is geweest, maar zelf denk ik dat het meer te maken had met dat het vertrouwd was. Maar dat leek ons toch geen goed plan. Niet voor hem, maar ook voor ons. Het moest niet Jorams kamer blijven, maar de kamer van Jongste worden. Zijn eigen kamer, met zijn eigen kleuren, meubels, spulletjes en posters.
Ik begin met het uitzoeken van het speelgoed en de boeken, laat al zijn verzamelingen nog eens – voor de zoveelste keer –  door mijn handen laten gaan, steentjes, veertjes, schelpen, een haaientand, mooi gekleurde draadjes, een botje, een uitgedroogde kastanje en nog veel meer. Spullen om te bewaren (weer dat vasthouden en koesteren!) doe ik in bewaardozen en met pijn in mijn hart gooi ik toch ook wat dingen weg. Het bureau, de stoel en het matras breng ik naar zolder en als de kamer op het bed na helemaal leeg is begint het ‘echte’ werk (dat bed uit elkaar halen bleek niet zo simpel als gedacht dus dat liet even op zich wachten). Het ‘echte’ werk omdat ik het lichamelijk best zwaar vind, maar vooral omdat het emotioneel erg zwaar werk is.



Laag voor laag probeer ik het behang van de muren te pulken. Ik heb het gevoel dat Joram over mijn schouder meekijkt en dat ik hem tot diep in zijn ziel kwets. Ik kan hem bijna, op z’n Jorams, verontwaardigd en boos horen roepen dat het niet eerlijk is, dat het zíjn kamer is en dat we daar vanaf moeten blijven. Dat het voor altijd zo moet blijven! Het kost me veel moeite, zou het liefst stoppen maar ik ga toch door. Jongste helpt me daarbij. 
Hij kijkt er al tijden naar uit dat hij mee mag helpen ‘klussen’ en eindelijk is het dan zo ver. Hij spuit met een plantenspuit warm water op het behang –  en op mij –  en als het doorweekt is probeer ik met een plamuurmes een beginnetje te zoeken zodat hij het volgende stuk weer van de muur kan trekken. Het is steeds weer een verrassing als hij ziet dat er weer een laag onder zit. Maar de moed zinkt mij bijna in de schoenen. Zeven lagen behang tellen we. En elke laag lijkt steeds vaster te zitten. Het is of we langzaam de geschiedenis van de muren afpellen, elke laag met zijn eigen kleuren en patroon, zijn eigen verhaal.
Eerst de laag geschilderd in Jorams kleuren, lichtblauw en Blauwst! (een diepe kleur blauw, mede door Joram uitgekozen door de grappige naam), met alle herinneringen en gemengde gevoelens die daarbij horen – en dat zijn er veel! – , die laag komt het makkelijkst van de muur, maar is emotioneel zo zwaar. Ik voel me schuldig, een verrader naar Joram toe. Door het afscheuren van het behang is het zo definitief, zo onomkeerbaar zijn kamer niet meer.
Een vriendinnetje van Joram komt langs en helpt ook mee. We hebben het er over hoe raar dit is. Dat we met z’n drieën in Jorams kamer aan het klussen zijn. Dat het straks zijn kamer niet meer is. Maar ook zij heeft ogenschijnlijk meer belangstelling voor de lagen behang en de plantenspuit. (“Hou oud zou dit wel niet zijn?” “Ik weet het niet, misschien wel tachtig jaar oud.” “Tachtig? Wauw!”) Samen verzamelen zij en Jongste van alle lagen stukjes behang, leggen het naast elkaar en maken daar hun eigen nieuwe behang van. Dat ik, terwijl ik hen aanschouw, allebei zo vol verwondering en plezier, de tranen over mijn wangen heb lopen lijken die twee helemaal niet in de gaten te hebben.
Ondanks hun plezier blijft het een voor mij een rotklus. Het behang wil er niet af en moet ook nog gestoomd worden. Het zit heel erg vast en het kost me in alle opzichten heel veel moeite. Ik vind het emotioneel zwaar. H. vraagt aan me of we dit niet moeten laten doen. Of het niet te moeilijk is. Maar dat wil ik niet. Ik moet dit zelf doen. Dat wat ik kan dan.
Als het behang er dan eindelijk af is wordt de wastafel die nooit gebruikt wordt en eigenlijk alleen maar ruimte inneemt weggehaald door een vriend en ‘zijn maat’. Ook plaatsen ze extra stopcontacten en stucen ze de muren. Voor hen ook is het ook moeilijk en raar om te doen. Maar ik ben blij dat zij het doen en niet iemand die we niet kennen; alsof het daarom met meer respect en liefde gebeurt. En gezien de staat waarin de muren verkeren leveren ze knap werk.
H. schuurt het vele houtwerk. Daarna kan ik verder met het eigenlijke opknappen. Jongste wil een gele kamer en vooral ook meehelpen –  ooit geïnspireerd door Nijntje die zelf haar kamer geel verft. Geel lijkt ons iets te heftig wakker worden ’s morgens en daarom wordt het wit (een gebroken wit met de naam Gelukzalig; dat moet dus goedkomen en anders krijgt Histor een rechtszaak aan z'n broek) met groen, met gouden accenten.
Tijdens het schilderen word ik me pijnlijk bewust van wat ik aan het doen ben. Dat wat ik zo graag wil vasthouden ben ik letterlijk aan het overschilderen, veranderen, aan het ‘wegmaken’. Bij elke verfstreek die ik zet heb ik het gevoel dat ik Jorams leven steeds meer uitwis. Die symboliek treft me ineens hard en het lukt me niet dit nog los te laten.
Maar Jongste helpt mee en dat maakt dat ik er wel luchtiger over moet doen. Ik wil hem niet belasten met mijn zwaarmoedigheid. Daarbij sta ik naast een heel trots mannetje te schilderen omdat hij het niet alleen stoer vindt; echte kluskleren aan die vies mogen worden en grote mensenwerk doen, maar hij is er ook nog goed in. Hij blijkt een natuurtalent te zijn om op de maat van de muziek van de Sprookjesboom verf over een muur te rollen. En om zijn moeder te laten relativeren. Hij zet me met beide benen weer op de grond. Lekker gek doen, met verf smeren, meezingen op de muziek. Associaties met je dode broer gewoon opzij zetten en ‘in het nu’ leven.Wel met een dubbel gevoel. Zo hoorde hij me regelmatig tegen anderen zeggen dat ik in Jorams oude kamer aan het klussen was waarop Jongste op een gegeven moment zei: “Je moet niet steeds zeggen Jorams oude kamer, het is mijn nieuwe kamer!” Die kwam hard aan, maar plaatste alles wel weer in een ander perspectief, zijn gezichtspunt. 





Er is veel hout en dus ook schilderwerk in de nieuwe kamer van Jongste en ook omdat ik het lichamelijk niet lang vol houd om veel te doen heb ik dus nog veel tijd om me tijdens het schilderen te verliezen in mijn gedachten en herinneringen. Maar het lukt me ook om me zo af en toe af te laten leiden door de radio en lekker hard mee te zingen. 
De kamer is bijna klaar; er moet volgens Jongste nog meer goud en er moet nog een raamkozijn geschilderd worden, maar verder is het af. Er staat een nu een prachtig nieuw ‘groot bed’ (gemaakt door een heuse meubelmaker, vader van klasgenootjes van zowel Joram als Jongste) en Jongste slaapt er alweer twee maanden en we hebben tot onze verbazing weinig gemerkt van ont- en gewenning. Het is echt een andere kamer geworden. Al hebben we wel aan de wens van Jongste voldaan. Sommige dingen zijn hetzelfde gebleven. De klamboe hangt weer op dezelfde plek, het door Joram zelf uitgekozen donkerblauwe verduisteringsgordijn met gele sterren en andere, doorzichtige, gordijnen met gele sterren en vleermuizen zijn weer opgehangen evenals een planetenmobiel. Jongste wilde dat zo graag, vond ze zo mooi en of dat het enige is of omdat hij daarmee ook iets vast wil houden van (de kamer van) Joram weten we niet.
Ik hoop dat het Jongste lukt om er echt zijn domein van te maken. Dat het echt zijn kamer gaat worden. Ik denk niet dat ik die kamer ooit binnen zal lopen zonder aan Joram te denken, zonder hem te voelen, zonder te denken aan die maanden klussen en de moeite die me dat heeft gekost.
Maar dat geeft niet, het is zelfs wel fijn. Het is goed zo. Nee, ‘het’ is niet goed zo. Die kamer is goed zo. Een beetje van Joram en in de toekomst waarschijnlijk steeds meer van Jongste.





22 oktober 2010

Birthdayblues in het kwadraat

Het is acht juli 2010 tegen elven ’s avonds en we liggen samen in bed, H. en ik. We zijn hondsmoe en moeten eigenlijk slapen. Maar het wil maar niet lukken. We hebben allebei een knoop in onze maag, voelen ons ‘down’, de tranen zitten hoog. We hebben beide veel flashbacks.
“Weet je nog? Rond deze tijd wilde de verpleegkundige je nog een slaappil geven, wilde ze niet geloven dat je al uren vol in de weeën zat. Het CTG gaf het niet duidelijk aan en wat je voelde maakte blijkbaar niet veel uit.” We halen herinneringen op aan die dag waarop Joram geboren werd. Ik lag al weken af en aan in het ziekenhuis met bloedverlies, weeënactiviteit en later ook nog gebroken vliezen. Die dag, acht juli 2002, werd besloten dat ik ingeleid moest worden, volgens de bloeduitslagen bleek dat ik zelf een infectie aan het ontwikkelen was en uit de echo bleek dat ons baby’tje niet meer groeide. Na die belachelijke opmerking over dat ik maar een nacht goed moest slapen – nu het nog kon - en een slaappil zou krijgen, terwijl ik al uren aan het ‘puffen’ was, werd ik, eigenlijk alleen om mijn kamergenoot een goede nachtrust te gunnen, toch maar naar de verloskamers gebracht. Daar volgde een stortbevalling en even flinke paniek omdat de hartslag van ons baby’tje wegviel, maar zo'n anderhalf uur later, even na middennacht, was hij er al. Ons inieminiemannetje, 42 centimeter lang en maar 1600 gram. Zat hij in dat bubbeltjesplastic gewikkeld en keek hij ons met die grote blauwe ogen aan vanuit de couveuse. En de verpleegkundige nog zeggen dat de meeste kinderen hun ogen dicht doen als ze net geboren zijn en huilen. Nee, Joram niet. Die wilde vanaf het begin af aan alles volgen, bang iets te missen. Was meteen heel erg wakker. (En dat is daarna nooit meer anders geweest.)



We blijven praten, over die zwangerschap, de bevalling, die periode daarna in het ziekenhuis, het eerste jaar en de zeven jaren en verjaardagen die daar op volgden; “Weet je nog dat hij toen de kaarsjes met zijn handen uit wilde maken? Weet je nog, toen kreeg hij die houten garage maar hij vond het inpakpapier veel interessanter. Weet je nog van dat feestje in het bos? Weet je nog, vorig jaar net zeven geworden en een dag later op vakantie. Waren we maar niet gegaan…”
We proberen ze nog tegen te houden maar dan komen de tranen toch. Ik moet verschrikkelijk huilen en baal daarvan omdat ik dan morgen, en met een beetje pech ook overmorgen, weer van die dikke rode en branderige ogen heb. Alsof ik een klap in mijn gezicht heb gehad.
Morgen… de verjaardag van ons mannetje. Of eigenlijk niet verjaardag maar geboortedag. Verjaren zal hij niet meer doen. Ouder dan zeven jaar zal hij nooit worden. Het is intens verdrietig dat we ons er geen voorstelling van kunnen maken hoe het, nee híj, nu zou zijn. Hoe hij acht zou zijn. Hoe hij morgenochtend natuurlijk al weer vroeg wakker zou zijn, hoe hij met een verwachtingsvolle blik zijn cadeautjes uit zou pakken, hoe hij morgen de vlag zou hijsen op school, hoe er voor hem gezongen zou worden - lang zal hij leven! - , dat hij zou trakteren en de klassen rond zou mogen gaan en natuurlijk een feestje zou geven. Hoe trots hij zelf zou zijn: Acht jaar is echt groot!


Al dagen, weken hikken we tegen deze dag aan. Hoe vul je zo’n dag in? We zijn ontzettend blij dat ons mannetje ooit geboren werd, dat we hem hebben mogen kennen, van hem hebben mogen houden, maar het voelt absoluut niet als een feestdag. Willen we visite? Taart? Dat voelt toch niet goed. Maar niets doen, er geen aandacht aan geven voelt al helemaal niet goed.
En dan, na een onrustige nacht, is het negen juli. Een bloedhete dag, net als acht jaar geleden. We gaan naar Jorams graf. En nee, vandaag - nooit meer! - geen ‘vlaghijsen’ en toegezongen door de kinderen uit zijn klas. In plaats daarvan gaan zij ook naar zijn graf.
Samen met ouders en juffen staan ze voor de ingang van de begraafplaats en heerst er bijna een uitbundige stemming, maar zodra ze de begraafplaats oplopen worden ze stil. Ze hebben allemaal een dino’tje gemaakt en zetten deze een voor een bij Jorams graf neer. Sommige kinderen blijven even bij het graf zitten; bekijken en bevoelen het mozaïek, anderen lopen wat rond en gaan stoeien met Jongste die ook mee is. Sommige kinderen hebben het moeilijk. De meeste kinderen zijn hier het afgelopen jaar al geweest, een aantal meerdere keren, maar toch is het bijzonder om met zo’n grote groep vriendjes en vriendinnetjes om Jorams graf te staan. Te voelen dat hij toch altijd bij deze klas zal blijven horen.
Als de kinderen terug naar school gaan blijven wij nog even. Is er weer ruimte voor tranen. Samen huilen met opa en oma die ook langskomen. Samen koffiedrinken (zonder taart) en opnieuw herinneringen ophalen.
En het is er eigenlijk te warm voor, maar we willen niet thuisblijven met een onbestemd gevoel en dus gaan we ’s middags met de andere opa en oma naar het bos. We sjouwen een eind en hoewel het goed is even weg te zijn, te kunnen praten, blijft het gevoel heel erg dubbel. Vandaag is geen vrolijke verjaardag. De tranen blijven aan de oppervlakte en ’s avonds doen we de gordijnen dicht; hoe lief we het ook vinden van mensen die aan deze speciale dag denken, we willen even geen visite. We hebben er behoefte aan even met z’n drieën te zijn.
Misschien dat het anders gaat voelen met het verstrijken van de jaren en misschien lukt het dan ook een goede invulling te geven aan deze dag. Lukt het misschien beter om zijn leven, de jaren die hij bij ons was, te vieren in plaats van hem vooral met een intens verdrietig gevoel te herdenken. Maar vandaag hebben flashbacks en het gevoel van ontwricht en verscheurd zijn de overhand. En dat is bepaald geen feestje.



9 juli 2010

In de herhaling, op deze bijzondere dag, Jorams verjaardag:


Er zit een gat in mijn ziel met jouw vorm
Het is een groot gat hoewel je klein was
Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo

Alle woorden die er zijn zijn niet genoeg
Alle liefs van de wereld is niet genoeg
Alle gemis van de wereld is niet genoeg
Want het gat in mijn ziel is toch groter

Wat is er mis
Ik
Ik mis
Jou
Zoals alleen wie niet meer terugkomt echt gemist kan worden

NB! Ik heb de afgelopen weken al meerdere malen het verzoek gehad of dit gedicht doorgestuurd mag worden aan mensen die een geliefde, een kind, hebben verloren.
Het is natuurlijk een groot compliment voor de schrijfster van dit gedicht, mijn vriendin, maar als ik eerlijk ben heb ik hier moeite mee. Het gedicht is voor mij geschreven en gaat over ons mannetje, over Joram. De woorden uit dit gedicht zijn speciaal gekozen met hem in gedachten: "..Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo...", iedereen die Joram heeft gekend weet waarom deze woorden zijn gekozen.
Natuurlijk kan ik hier een discussie beginnen over een openbare blog, copyrights en dergelijke, maar daar kan en wil ik bij groot gebrek aan 'puf', niet aan beginnen. Dus, alsjeblieft, lees dit gedicht over ons mannetje met hem op je netvlies, met hem in je gedachten en als je het dan persé wilt doorsturen (ik kan het toch niet tegenhouden) vertel dan over hem, over wie hij was en dat het verdriet om hem, het gemis om hem dat grote gat in onze ziel heeft geslagen.
Ik hoop dat jullie hier begrip voor hebben, maar het alternatief is dit gedicht van deze blog halen en dat zou toch ook wel weer jammer zijn.