Inspiratie

31 maart 2010

Just an ordinary friday afternoon

Het is vrijdagmiddag, 26 maart 2010. We hebben een paar mooie lentedagen achter de rug en ik heb zin om naar buiten te gaan. Nee, zin hebben is het niet echt. Het is meer een kwestie van kunnen. Ik kan niet binnen zitten vanmiddag, móet naar buiten. Er wordt regen voorspeld maar ik pas weer eens struisvogelpolitiek toe en besluit om met Jongste en een klasgenootje naar het bos te gaan. Onderweg vallen de eerste druppels, maar gelukkig blijft het daarbij en kunnen we een poos door het bos struinen. De jongens vermaken zich prima, zijn met takken in de weer en zitten al snel onder de modder; ze hebben de grootste lol.
Ik loop er met gemengde gevoelens en een voortdurende brok in mijn keel. Ik lach, doe mee met tikkertje en verstoppertje, we doen een wedstrijdje 'wie het eerst boven aan de heuvel is' (en natuurlijk winnen zij) omdat ik wil dat zij genieten - en dat doen ze -, maar ik zou zo graag willen dat ik hier gewoon met mijn eigen twee kinderen kon wandelen, gek doen. Dat deden we ook. In dit zelfde bos hebben we vaak genoeg gesjouwd, lol gehad en dan nu… bah!

Ik heb ook gemengde gevoelens omdat ik weet dat wij op datzelfde moment aan de andere kant van het land onderwerp van gesprek zijn. Een heel zwaar gesprek. Namelijk in de rechtbank van Maastricht. Het openbaar ministerie heeft de eigenaren van de vakantieboerderij gedagvaard en beschuldigt hen van ‘dood door schuld’. Zij zullen zich, terwijl ik quasi-ontspannen, gezellig in het bos loop, aan het verdedigen zijn. Ik word er intens verdrietig van en boos tegelijk. Het is bijna niet te bevatten. Dat het gaat over óns gaat. Ons verdriet, óns mannetje! Dood door schuld op Joram. Dat kan toch helemaal niet?! Het is en blijft zo onwerkelijk. (Nog helemaal los van wat ik van die beschuldiging vind.) We wilden er niet bij zijn...
Na anderhalf uur in het bos gaan we naar huis. De jongens zitten achter een dvd-tje en mogen chips. Ik krijg er een sentimenteel woensdagmiddag-gevoel van. Toch ben ik met mijn hoofd steeds maar in Maastricht. Ik struin internet af om er achter te komen wat er gezegd is, wat de eis is en wanneer er een uitspraak wordt gedaan. Vooral de Limburgse media speelt er op in. Gelukkig is het hier in de regio even wat minder (in de plaatselijke krant deze keer helemaal niets). Ik lees berichtjes en zie later dat er ook beelden zijn en een geluidsfragment. Het kost me moeite om het zonder tranen te bekijken en aan te horen. Het is pijnlijk en zo bizar.

Bij deze het geluidsfragment en het beeldfragment (met natuurlijk eerst reclame). Uitspraak van de rechter volgt eind volgende week.
Oh en die 'verklaring van de ouders' waarover gesproken wordt; het was een slachtofferverklaring van drie A4-tjes (waarbij je alleen mag ingaan op 'het persoonlijk ervaren leed of schade' en niet op de inhoud van de rechtzaak), die ik geschreven heb met bloed, zweet en tranen.

12 maart 2010

Traumaheli/Boos sprookje

Zoals eerder geschreven is Jongste niet zo’n prater en in meerdere opzichten vrij ondoorgrondelijk. Zo werd het onderwerp ‘Joram’ tot voor kort zorgvuldig gemeden of er werd ‘ssshhhh’ geroepen als hij ter sprake kwam of wij er naar vroegen. Soms legde hij zelfs zijn hand op mijn mond; een letterlijk ‘mond-dicht-teken’, 'ik wil het er niet over hebben en ik wil het ook niet van jou horen’. Alles op zijn tijd, alleen als hij er zelf over begon konden wij er in meegaan.
Maar de laatste weken komen er mondjesmaat wat meer vragen, vertelt hij uit zichzelf ineens dat hij verdrietig is en Joram mist (zie 'kinderwinkel'). Hij lijkt zich ietsje beter te kunnen uiten en dat is prettig omdat wij op die manier tenminste een heel klein beetje weten wat er in hem omgaat. Ook tijdens zijn spel heeft hij het er af en toe over. We hebben hem een paar keer gehoord over een deur die valt, over dokters (‘die toch niemand beter kunnen maken’), ziekenhuizen, doodgaan en begraven worden. Het is natuurlijk belachelijk dat een kleuter hierover speelt en hoewel het voor ons moeilijk is te accepteren dat dit nou eenmaal zijn belevingswereld is, is het ook goed omdat we daardoor weten dat hij er op die manier in ieder geval mee bezig is.
Kort geleden was Jongste jarig. Werd hij alweer vijf jaar. Een aantal weken daarvoor vroegen we hem al wat voor cadeautje hij wilde hebben. Hij had geen idee. De kasten puilen hier uit van het speelgoed, er is belachelijk veel. En Jongste heeft er sinds het overlijden van Joram heel veel bij. Heel natuurlijk heeft hij zich al het speelgoed van Joram ook toegeëigend en is de kamer van Joram een waar speelparadijs. De racebaan, het treinspoor, de piratenschepen en het grote kartonnen ‘ik-wil-me-even-terugtrekken-speelkasteel’ (waar ’ie heerlijk op een schapenvachtje, omringd met boekjes, in kan liggen) mag allemaal blijven liggen en staan. Het ligt toch niemand meer in de weg.
Er is dus genoeg en dat vindt hij zelf ook eigenlijk ook wel. Maar na lang aandringen van ons, opa’s en oma’s en anderen die hem graag wat wilden geven kwam hij op een gegeven moment toch met iets dat hij wel wilde hebben. Een paar handboeien. Gezien bij Action voor €1,99 tussen de verkleedkleren. De voorpret die hij had om ons in de boeien te slaan was al geweldig. Het was wat hij het aller- allerliefste wilde en meer niet.
Makkelijk zou je zeggen, maar om nou aan iedereen handboeien te vragen en vervolgens met tien paar handboeien opgescheept te zitten leek ons ook niet de bedoeling dus gaven we hem de opdracht toch nog wat anders te bedenken. Het grote Playmobilboek werd geraadpleegd en al snel had hij wat gevonden. Een traumahelikopter. Iets wat vele vijfjarigen natuurlijk zouden vragen. Brandweerwagens, politiewagens, ambulances en reddingshelikopters; spannend! Het meeste heeft hij dan ook al (al dan niet van broerlief geconfisqueerd) alleen dus nog geen helikopter.
Maar er was wel een probleem.  De helikopter in de Playmobilgids is wit en dat klopt niet. Een traumahelikopter hoort geel “net als van Joram”. En hoewel dat hard slikken is heeft hij natuurlijk wel helemaal gelijk. Joram werd met een gele traumahelikopter naar Maastricht gevlogen, niet met een witte. En na zo’n uitspraak hoef ik ook echt niet met een witte aan te komen, want dan zal er ook niet mee gespeeld gaan worden. En in het kader van zijn rouwproces leek me een gele helikopter ook geen gek idee.
 En dus ging ik op zoek naar een gele traumaheli. Al googlend kwam ik erachter dat Playmobil midden jaren negentig een ‘echte traumaheli’ in het assortiment had en lang leve internet want via Marktplaats kon ik voor een prikkie een “nieuwe”, nog in de doos, op te kop tikken. Twee dagen later hadden we hem in huis.
Het was even flink schrikken want toen ik de verpakking opende en eens goed naar de plaatjes op de doos keek zag ik dat het slachtoffer van de heli niet alleen een arm en been in een soort spalk had, maar voor ons veel herkenbaarder ook nog een dik blauw oog, zijn hoofd in een groot verband en met infuus en beademingskapje. Tjee, hoe echt kun je het maken. Oké, toegegeven, toen Joram met de heli meeging had wel een infuus en werd hij beademd, maar hij had nog geen verband en een blauw  oog, maar dat kwam in de loop van de dag wel. (Twee dikke blauwe ogen en een groot verband.) En zonder dat hebben we hem daarna ook niet meer gezien. Hij is er mee begraven en het staat ons nog erg vers op het netvlies. Persoonlijk vond ik het nogal heftig en confronterend. Hoe verzinnen ze het? Zouden de makers van Playmobil ook maar enig idee hebben dat dit misschien niet altijd ‘leuk spannend’ is?
We hebben nog overwogen om het niet aan Jongste te geven. Omdat het ook voor hem misschien ook wel te realistisch zou zijn. Aan de andere kant vraagt hij daar wel duidelijk naar; wit is niet goed, het moet geel.  En hij was duidelijk ook even van slag toen hij het had uitgepakt, maar hij zei al snel dat het poppetje Joram niet kon zijn omdat dit poppetje een stoppelbaardje heeft. Pfieuw, gelukkig. Hij speelt er veel mee – net als met zijn handboeien trouwens. Samen met de ambulances, politie’s en brandweerwagens. Vaak zoals elke vijfjarige dat zou doen, met typisch spannende jongensverhalen over achtervolgingen en boeven vangen en zo. En zo heel af en toe valt er een deur om en moet er iemand met spoed met de heli naar het ziekenhuis. Meestal overleven ze het niet, gaan ze dood en worden ze begraven. En hoewel hij het spel wel realistisch heeft gemaakt door het poppetje met stoppelbaard te vervangen door een jongetjespoppetje (inclusief blauw oog en verband) blijft het toch ook kleuterspel, want gelukkig komt er na de begrafenis vaak een prins of prinses langs om het poppetje wakker te kussen. “Want zo gaat dat in sprookjes en verhaaltjes.”


24 februari 2010

Kinderwinkel

Jongste: "Mama, ik ben zo verdrietig dat ik geen broertje meer heb."
Lin: "Ja, daar ben ik ook zo verdrietig om."
Jongste: "Mama, krijgen wij ook een nieuw kindje? Dat jij een dikke buik krijgt?"
Lin: "Lieverd, dat kan niet meer. Het huisje waar baby'tjes in groeien in mama's buik was ziek en die heeft de dokter eruit gehaald. Er kunnen geen baby'tjes meer in mijn buik groeien."
Jongste: "Nou, dan gaan we toch naar de winkel en dan gaan we er eentje kopen. In de kinderwinkel ofzo."

18 januari 2010

Ontbijten

Het is half acht en Jongste en ik zitten te ontbijten. En het gaat weer langzaam, heel erg langzaam. Jongste is niet zo'n eter ’s morgens vroeg en dat maakt dat we lang aan tafel ‘moeten’ zitten. Hij peuzelt werkelijk met muizenhapjes zijn crackers naar binnen en zit de helft van de tijd een beetje om zich heen te kijken. Het is een echte ‘slow starter’, altijd al geweest.
Joram was ook niet altijd zo’n snelle, maar niet omdat hij moeite had met opstarten. Integendeel, zodra hij zijn ogen open deed was hij wakker en dat moest iedereen weten. Hij kwebbelde meteen je oren van je hoofd. Soms heel gezellig, maar ook om zo af en toe gek van te worden, vooral als je net wakker bent. Negen van de tien keer had hij al tijden wakker gelegen voordat hij ‘eindelijk’ uit bed mocht en ik kan me zo voorstellen dat hij dan van alles had liggen verzinnen om te vertellen of om vragen over te stellen. Dat ging voornamelijk over dinosaurussen of andere oerbeesten. De prehistorie boeide hem mateloos. En behalve dat eten hem in het algemeen erg tegen stond kwam het ook door al dat gepraat van hem dat eten traag ging.
“Volgende hap, eet nou even door, we moeten zo naar school, schiet nou es op”, zijn van die kreten die je hier ’s morgens met grote regelmaat hoort. Maar er is nogal wat veranderd in de ochtend. Nou ja, niet alleen in de ochtend natuurlijk, maar in die tijd tussen het opstaan en het ‘dag zwaaien’ bij school is de afwezigheid van Joram wel heel erg voelbaar. En vooral ook hoorbaar. Het is zo stil! Jongste maakte niet lang na het overlijden van Joram tijdens het ontbijten al eens de opmerking “Ik praat niet zo veel als Joram hè?” Hij verwoordde daarmee precies wat we zo voelen; die oorverdovende stilte. Het contrast met hoe het voor het overlijden van Joram was is zo ontzettend groot! (En wat zou ik die jongen nog graag achter zijn broek aan zitten.)
Voorheen had ik een regel dat er tijdens de maaltijd niet wordt gespeeld, boekjes worden gelezen of andere dingen worden gedaan die niet met eten te maken hebben. Maar inmiddels ben ik wat soepeler geworden, vooral voor mezelf omdat ik vaak, vooral ’s morgens dus, al lang klaar ben terwijl Jongste nog zit te knabbelen en wakker te worden. En een half uur aan tafel zitten zonder ook maar iets te doen en vaak ook maar weinig te zeggen kan en wil ik niet. Ook omdat die stilte daarmee zo extra benadrukt wordt.
En daarom staat nu de radio aan en ben ik alvast een ‘things to do today list’ aan het maken. Jongste wil weten wat ik op schrijf en waarom ik dat doe en zo ontstaat er weer een gesprekje. Als ik klaar ben pakt hij de pen en begint op zijn hand te schrijven. “Hij doet het niet meer.” Ik doe hem voor dat de pen het op papier wel doet en schrijf: ‘Jongste is lief’ en lees hem voor wat er staat. Hij kijkt me aan en zegt: “En nou moet je opschrijven: Joram is dood.” Ik schrijf het op.
Hoewel dat zinnetje en vooral de woorden op papier me een steek in mijn buik bezorgen, schrik ik hier toch niet meer zo van. Het is opvallend hoe hard het in het begin aan kwam en hoe ‘gewoon’ dit soort uitspraken van hem inmiddels zijn geworden. Het is meer een constatering van een feit, een vast gegeven. Iets dat nou eenmaal zo is en daar zul je het mee moeten doen. Tegelijkertijd vraag ik me ook af waarom hij dit nu, juist op dit moment, zegt. Onderstreept hij daarmee ook zijn gevoel? Dat het zo anders is? Of voelt hij weer eens haarfijn aan wat ik in de ochtend zo moeilijk vind? Die klotestilte!
‘Joram is lief’ schrijf ik eronder en lees het voor aan Jongste. Hij slaakt een zucht, zo van ‘duh’ en zegt: “Ja, maar nu niet meer. Dat kan niet want hij is toch dohóód!”
Eigenlijk wil ik er nog even op doorgaan, maar het gaat zoals vaak als Joram ter sprake komt; Jongste is al weer met wat anders bezig. Hij kijkt naar het woordje ‘dood’: “Dat kan toch niet: d – oo – t”, hij wijst naar de eerste ‘d’ en daarna naar de laatste ‘d’, “dat kan toch niet met dezelfde letters.” Met stijgende verbazing hoor ik hem aan – hij kan nog helemaal niet lezen! Toch? Is hij al zo bezig met klank-tekenkoppeling? Hoe ondoorgrondelijk is onze zoon! En dus niet alleen als het om de verwerking van ook zijn grote verdriet gaat.
Hij wijst weer naar de letters, ik hoor hem nog in zichzelf murmelen, “d – oo – t”, en dan neemt hij het volgende inieminiehapje van zijn cracker en vraagt vervolgens of hij vandaag gele ranja in plaats van roosvicee mee naar school mag...

17 december 2009

Engel

Jongste is helemaal blij en opgewonden. We hebben een kerstboom! Net als het uitje met onze verjaardagen konden we ook hier niet onderuit. Kaarsjes op de schouw en in de vensterbank, een versierseltje hier en daar is natuurlijk niet genoeg. Nee, er moet ook een echte kerstboom anders is het geen kerst. En gelijk heeft ‘ie.
H. is een soepje aan het koken voor de lunch - kunnen we weer even warm worden na ons kerstboom-kopen-avontuur - en ik ga met Jongste de kerstboom optuigen. De dozen met ballen, lampjes en allerlei andere kerstsnuisterijen zijn van zolder gehaald en we zijn er helemaal klaar voor.
Jongste stuitert opgewonden rond de boom en is al bezig om geschikte plekjes te zoeken voor twee Disneykerstballen die hij heeft gekregen (met dank aan de C1000…) en ik doe de deksel van de eerste doos. Mijn blik valt meteen op allerlei werkjes die Joram en Jongste vorig jaar hebben gemaakt. En natuurlijk wist ik wel dat die gekleurde engeltjes, kerststerren en waxinelichthoudertjes gemaakt van babyvoedingpotjes er wel in zaten, maar toch, die aanblik komt hard aan. En daar sta ik dan, brok in mijn keel en ik voel de tranen alweer achter mijn ogen prikken. Nee, niet huilen nu. Dit moet ik voor Jongste nu niet verpesten. Dit is leuk. Blijf lachen.
Samen ontwarren we het snoer van de lampjes en helpt hij me daarna mee de lampjes vast te zetten. Dat veel naalden er bij deze actie meteen al afvallen kan ik er nu eigenlijk niet bij hebben, de hele vloer ligt ermee bezaaid, maar ik doe net of het me niet uitmaakt en vertel Jongste dat hij me straks mag helpen stofzuigen en dweilen. De kluit blijkt namelijk ook nog een blubberspoor van de voordeur tot in de kamer te hebben achter gelaten. Jongste is helemaal in zijn element en maakt een vreugdesprongetje bij het idee dat hij straks mag dweilen, lekker knoeien met water.
Door zijn enthousiasme en zijn voortdurend gekwek wordt het nog echt leuk ook. We zingen een kerstliedje dat hij op school geleerd heeft terwijl we de ballen ophangen. Hij besluit de blankhouten hangertjes met stift te gaan kleuren. Joram is er vorig jaar mee begonnen, maar vond het na één engeltje al genoeg. Jongste begint er met veel enthousiasme aan, maar houdt het na drie sterren – alle drie knalpaars - ook voor gezien. En als die sterren er ook in zijn gehangen (“Nee, dat moet jij niet doen, dat moet ik doen. Ik heb ze gekleurd.”) is de kerstboom klaar. Er zit alleen nog geen piek op. En dat komt omdat we geen piek hebben. Ik vind een piek namelijk niks. Maar in die doos zit een engel die Joram vorig jaar in groep drie gemaakt heeft. Vorig jaar hing hij voor het raam, maar dit jaar vind ik een boom en die waxinelichtjes wel genoeg. Ik hoef geen ster en ook geen engel voor het raam. Dus is die engel nu onze piek. En het is prachtig! Zo is het ook een beetje Jorams boom. Ik vind het bijna jammer dat die boom na de kerst straks weer weg moet…