Inspiratie

26 september 2012

Frustratie


Jongste kreeg in groep 2 voor het bezoek aan de schoolartsassistent van de GGD een boekje met vragen mee die hij van te voren samen met ons moest invullen.
Een van de eerste vragen luidde:
Ik ben thuis: 1. de enige, 2. de jongste, 3. de oudste, 4. ertussenin.
En dat vind ik: 1. leuk, 2. gewoon, 3. vervelend. 
Geweldige binnenkomer als je broer net het jaar daarvoor is overleden! Dat getuigt echt van meeleven, zowel van school die het boekje mee gaf als van de GGD die dit dus standaard gebruikt en naar mijn mening weinig rekening houdt met verscheurde gezinnen. Het bezorgde me een traan en ik werd boos. Héél boos. Kan dat nou niet anders?! (Nog los van wat de vraag toevoegt; alsof je iets aan de positie binnen een gezin kan veranderen.)
Mijn man daarentegen begreep wel dat ze geen rekening houden met kinderen die zich 'in een uitzonderingspositie' bevinden. Want hoe vaak komt het nou voor dat je broertje of zusje is overleden? Of dat er iets anders binnen een gezin aan de hand is waardoor zo'n vraag als pijnlijk kan worden ervaren? Maar daarnaast snapte hij mijn boosheid en frustratie ook.

(Het antwoord van Jongste spreekt boekdelen; wat moet je in hemelsnaam op zo'n vraag beantwoorden?)

Vorige week kreeg Jongste een briefje mee van school. In de hoek van het papier stond 'oudsten' geschreven. Het was de bedoeling dat de leerkrachten het briefje niet aan alle kinderen maar alleen aan de oudste kinderen binnen een gezin meegaven. Handig, want dat scheelt papier. Maar dat kleine woordje 'oudsten' bezorgde me een steek in mijn buik en ik was blij dat Jongste het niet had gezien. Ik vroeg me af of het niet anders had gekund. Gewoon een post-itje met 'oudsten' op het hele stapeltje papieren? Scheelt niet alleen schrijfwerk maar ook weer een steek omdat ik, of Jongste, dat woordje dan tenminste niet hoeven te zien. Win-winsituatie lijkt me.
Mijn man daarentegen was het woordje nauwelijks opgevallen en zag vooral de praktische kant. Hij begreep mijn 'steek in de buik' overigens wel.

In september ben ik weer begonnen met straattheater. Iets wat ik jaren geleden ook deed, maar vanwege allerlei medisch gedoe mee moest stoppen. De eerste repetitie was spannend, maar zo leuk! We hebben zo gelachen! Ik kwam vol energie weer thuis. Afgelopen maandag moest ik de repetitie helaas missen vanwege schuurpapier in mijn keel en koorts en dus was ik niet bij 'de smartlapbespreking' aanwezig. Dinsdagmorgen hoorde ik welke tekst ik voor volgende week moet leren: "Niemand laat zijn eigen kind alleen", van Willie Alberti. 
En ja, daar gaan we weer. Op internet zocht ik de tekst op en ik merkte dat de brok in mijn keel alleen maar dikker werd. Ik weet zeker dat ik dit niet met volle overtuiging kan zingen. Terwijl ik de tekst las vroeg ik me af of ze tijdens de repetitie echt niet even gedacht hebben dat juist dit liedje misschien niet zo heel handig gekozen was.
Maar tegelijkertijd begin ik steeds meer als mijn man te denken. Heel vaak, dagelijks, zijn er momenten, gebeurtenissen, lees ik teksten, hoor ik liedjes of gesprekken en zie ik afbeeldingen die me die welbekende traan en frustratie veroorzaken. En ik ben, wij zijn, de uitzondering.
Ik kan toch eigenlijk niet verwachten dat mensen voortdurend rekening houden met ons verhaal? En dan maak ik het ook nog eens moeilijk omdat zoiets de ene keer keihard binnenkomt, me verstomt, maar dat ik me er het andere moment redelijk overheen kan zetten. En de factor tijd is ook niet als graadmeter te gebruiken. Dat boekje van de GGD zou op dit moment nog steeds hetzelfde effect op me hebben. Maar dat woordje 'oudste' zou vlak na het overlijden van Joram meer protest opgeleverd hebben dan nu.
Het blijft ingewikkeld. Als buitenstaander doe je het al snel verkeerd en wrijf je zomaar onbedoeld zout in de zere wond. Iedereen heeft wel een bijzonder verhaal; het is onmogelijk om daar altijd aan te denken of rekening mee te houden.
Maar ook voor ons, mij, zorgt het voor dilemma's. Want wat ga ik doen? Ga ik toch nog es met de GGD bellen over dat boekje? Ga ik toch nog naar school met de vraag of ze geen 'oudsten' op briefjes willen zetten? Hou ik me stil en ga ik toch dat lied zingen om geen gedoe te willen?
Het zal ons hele leven lang op ons pad blijven komen; zal ik me daarom me harden om niet steeds zo geraakt te worden? Accepteren dat er niet met iedereen rekening gehouden kan worden en daarom mensen er ook niet op aanspreken, bang voor het 'daar-heb-je-haar-weer-effect' of dat mensen me zielig gaan vinden. Of blijf ik me toch kwetsbaar opstellen en vertellen dat ik begrijp dat er even niet aan gedacht is maar toch benoemen dat het soms zo'n pijn doet...
Ik ben er nog niet over uit. 


20 juli 2012

20 juli 2012

Vanmorgen was de laatste schooldag van dit jaar. En zoals dat gaat op de laatste dag was de sfeer op school een mengeling van opgetogen, gespannen en tegelijkertijd wat gelaten. De laden van de tafels zijn al leeggehaald en opgeruimd, het bord is schoon en alle schriften en werkjes zijn al mee naar huis. De lokalen zijn bijna leeg en de akoestiek is anders; het geroezemoes van de kinderen gonst nu door de school. De laatste dag van Jongste met zijn lieve juf en omdat een aantal kinderen naar een andere school gaat, is het ook de laatste keer in de kring met deze samenstelling.
Als de bel is gegaan sta ik nog een lange tijd te praten met een paar moeders. Over schoolzaken, over speelafspraken in de vakantie, over de vakantieplannen, over koetjes en kalfjes.
Ik luister, ik praat mee, ik lach mee, ben oprecht geïnteresseerd en heb een brok in mijn keel. Vandaag leef ik, weer, in meerdere werelden. In mijn hoofd ben ik niet alleen hier, op de stoep naast school met de fiets aan mijn hand. Beelden uit een vorig leven, het leven met Joram, dringen zich voortdurend aan me op.
Herinneringen aan zijn laatste schoolweek. De juf had in die week toegegeven aan zijn dinosaurus-passie (of gekte, het is maar net hoe je het ziet). Hij mocht zijn dinosaurussen meenemen, net als zijn boeken en posters. Voor één week hoefde hij niet steeds geremd te worden en mocht hij er over vertellen, het uitgebreid delen met de andere kinderen en de juf die versteld stond van wat hij allemaal wist. Zijn verjaardag viel ook nog in die week dus hij liep de hele week met een lach van oor tot oor op zijn gezicht. Het was een geweldige laatste week in groep 3! De laatste dag ging de hele bups dinospullen weer mee naar huis. Joram bedankte zijn juf, wenste haar een leuke vakantie, gaf haar een stiekeme knuffel maar wilde haar geen hand geven. Hij zou haar toch volgend schooljaar wel weer zien en dan hoefde je toch geen afscheidshand te geven?
Vrijwel tegelijkertijd ben ik in een appartement van een Limburgse vakantieboerderij. Daar zitten we net aan het ontbijt met versgebakken broodjes. Een loom begin van een nieuwe vakantiedag met het plan om 's morgens lekker niks te doen en 's middags misschien naar de bioscoop te gaan om Ice Age 3 (met dino's!) te bekijken. Dat was een belofte die we eerder aan Joram hadden gedaan; we zouden deze vakantie in ieder geval die film gaan kijken.
Joram heeft Ice Age 3 nooit gezien. Onze ochtend - ons leven - werd wreed verstoord. Die middag waren we in het azM in plaats van in de bioscoop. Geen film kijken maar vechten voor je leven. Waken aan het bed van je kind en je broer.
De laatste schooldag van Jongste en 20 juli, de dag van Joram's ongeluk, vallen dit jaar samen. Net als voorgaande jaren blijven de flashbacks van drie jaar geleden voorbij komen. Dat is iets wat blijkbaar blijft. Met een knoop in mijn maag en tranen aan de oppervlakte beleef ik in mijn hoofd die dag, het ongeluk, die onzekere, beangstigende en intens verdrietige dagen in het ziekenhuis keer op keer. En niet alleen herinneringen aan die dagen maar ook leuke en bijzondere momenten zoals die laatste bijzondere schoolweek van Joram.
Aan het einde van de ochtend haal ik Jongste van school. Ik sta met een melancholisch gevoel op het plein. Samen bedanken we de juf en wensen we haar een fijne en zonnige vakantie. Net als Joram destijds heeft hij een prachtig rapport. Na de zomer gaat hij naar groep 4. Is de bedoeling. Ik kan me er nog geen voorstelling van maken. Eerst maar eens deze zomervakantie overleven. Letterlijk.

24 februari 2012

Bizarre mijlpaal

Joram werd op 9 juli 2009 zeven jaar. De 20e juli veranderde zijn en ons leven voorgoed door het ongeluk, twee dagen later overleed hij, zeven jaar en dertien dagen oud. Jong.
Afgelopen weken waren rare weken. Het was dan wel geen juli, maar wel februari. De maand waarin Jongste, ook op de 9e, zeven jaar werd. Ook voor hem stonden we, net als bij Joram destijds, op zijn verjaardag op school onderaan de vlag die werd gehesen "Lang zal die leven" te zingen. (Hoewel ik dat natuurlijk wel wens, krijg ik dat lied voorgoed nauwelijks mijn strot uit. Lang zal die leven! Ja ja...)
Omdat die data van de zevende verjaardag van Joram en Jongste zo gelijk op gaan waren het weken van terugblikken, data vergelijken, van steeds naar Jongste kijken, vergelijken met herinneringen van Joram aan die tijd. Was Joram ook zo? Jongste is natuurlijk vooral lekker zichzelf maar begint in bepaalde opzichten meer op Joram te lijken, maar in mijn herinnering was en deed hij ouder. Niet zo zeer groter en wijzer, maar toch, ouder. Maar misschien is dat verbeelding. Tweeëneneenhalf jaar zonder voelt soms als twee dagen, twee weken, twee maanden, maar die blijken zomaar ineens ook lang genoeg om herinneringen te laten vertroebelen. Het maakt me verdrietig; ik weet niet precies meer hoe hij was, net zeven jaar.
We hebben de dagen afgeteld. De 20e februari ging voorbij zonder dat er iets geks gebeurde. Ook op de 22e waren er geen noemenswaardige bijzonderheden. Wij stonden op scherp, maar ook de nacht was rustig en de 23e begon als andere dagen. Een gewone normale school- en werkdag.

En dus hadden we afgelopen week een mijlpaal. Een bizarre mijlpaal die voor dubbele gevoelens zorgde. Verdriet, opluchting en dankbaarheid. Jongste is vanaf donderdag 23 februari voor altijd ouder dan zijn grote broer.
Het klopt niet. Jongste ouder en tegelijkertijd al meer dan een derde van zijn leven zonder zijn broer. Bizar. Toch hebben we elkaar donderdagochtend gefeliciteerd. "Dit heeft hij alvast maar gehaald."
Een ingebeeld magisch omslagpunt, zeven jaar en veertien dagen oud. Jong. Voor hem mogen we wel verder vooruit kijken.

Onderstaand prachtige, ontroerende gedicht kreeg ik van mijn vriendin Marije naar aanleiding van afgelopen dagen; ik deel het graag want het omschrijft zoals het is en voelt.


Vanaf de eerste zin lazen we gulzig, ademloos
bladzij na bladzij hongerig
naar wat je nu weer zou beleven.

We hoopten: heldenmoed, en avontuur. Een prachtig slot.
Niet middenin de laatste zin
het einde.

En toch lezen we door. Steeds door.
Nog slaan we blad- na bladzij om
Vertwijfeld door de witregels

Van wat niet is
Wat niet zal zijn
Wat nooit zal zijn geweest


(©Marije Elderenbosch)

25 oktober 2011

Kaïn en Abel, maar dan héél anders

“Het is mijn schuld dat Joram dood is. Van mij moest hij achter die deur kijken of daar monsters waren. Als ik niet had gezegd dat hij daar moest kijken, dan was hij ook niet dood geweest.”
Ik schrik en heb meteen een brok in mijn keel. H. en ik wisselen een snelle blik en gaan er meteen tegen in. “Lieverd, het is niet jouw schuld. Die deur had vast moeten zitten! Het is niet jóuw schuld dat die deur loszat en viel.”
“Ja, maar van mij moest hij die deur open doen” weerlegt Jongste.
Ik ga naast hem zitten maar hij schuift van me weg. “Maar jij wist toch niet dat die deur los zat, dat hij ging vallen? Als jij het niet had gevraagd, dan had Joram of een van de andere kinderen daar ook wel achter willen kijken. Dan was dit ook gebeurd. Dat komt toch niet door jou!”
Het heeft geen zin. Het gaat zoals vaak als wij iets willen beargumenteren of het serieus ergens over willen hebben. Jongste heeft dit in zijn hoofd en staat nu niet open voor onze argumenten. En hoe meer wij het er wel over willen hebben, hoe meer hij zich afsluit. Dit is blijkbaar niet het moment om er verder over te praten en ik besluit het voor nu nog een keer met: “Het is echt niet jouw schuld.”
We zijn op vakantie, het is twee jaar na dato. En hoewel anders, minder verlammend dan vorig jaar, is ook nu weer de leegte, de stilte, het gemis van Joram als een groot gapend gat volop aanwezig. Hij komt dus nog al eens ter sprake. Als Jongste ’s avonds op bed ligt hebben H. en ik het erover. Over de ‘bekentenis’ van Jongste. Want zo leek het haast. Zijn schuld.
Hoe moet zijn eigen gemis voelen? Hoe ervaart hij onze gesprekken over Joram? Hoe kijkt hij naar de foto en het kaarsje dat we mee hebben genomen en alle andere foto’s waar hij thuis mee geconfronteerd wordt. Denkt hij misschien ook dat we boos op hem zijn? Wat draagt ons zesjarig mannetje een onmenselijk zware last op zijn smalle schouders.
Het maakt me zo ontzettend verdrietig. Hoe kunnen we hem in hemelsnaam van die last verlossen? We praten er over maar Jongste een beetje kennende, weten we dat dit niet iets is dat te sturen valt. We kunnen niets anders doen dan hem goed in de gaten houden, hopen dat we signalen oppakken als er ‘iets mis’ dreigt te gaan, besluiten niet te pushen, maar proberen het binnenkort wel weer terloops ter sprake te brengen.

Op een donderdag in september staan Jongste en ik samen in de keuken. Ik doe een beetje tandpasta op zijn tandenborstel en geef hem aan Jongste. Tussen de middag mag hij altijd zelf zijn tandenpoetsen. “Goed onder, boven, voor en achter, maar niet te lang treuzelen want over een kwartier moeten we alweer op school zijn.”
Voordat hij de borstel in zijn mond steekt vraagt hij nog snel: “Wat betekent eigenlijk iemand de hersens inslaan?”
“Hè, hoe kom je daar nou bij?” vraag ik.
“Juf vertelde een verhaal over een broer die zijn andere broer de hersens in had geslagen. Toen ging die ene broer dood. Zou z’n vader toen ook boos zijn geworden?”
Terwijl hij staat te tandenpoetsen probeer ik te bedenken welk verhaal juf heeft vertelt, wat is dat voor verhaal met zulk soort geweld? En dat voor groep 3, is het iets van de televisie? Heb ik iets gemist? Opeens dringt het tot me door: “Ging het verhaal soms over Kaïn en Abel?”
Terwijl hij zijn mond spoelt probeert hij te knikken. Een lange sliert tandpastaspuug valt op zijn t-shirt. Zo goed en kwaad als het gaat probeer ik met een nat doekje zijn shirt te fatsoeneren en intussen vraag ik me af waarom hij dit gesprek begint. Het is vast niet alleen interesse naar de betekenis. Heeft hij zich vanochtend aangesproken gevoeld? Twee broers, de ene dood door de schuld van de ander? Als hem dit maar niet de hele ochtend heeft bezig gehouden, dat hij hiermee heeft moeten worstelen. Heeft de juf dit ook gemerkt? Ik voel in welke richting ik dit gesprek kan proberen te sturen en denk ook dat Jongste dat wil. De neiging om hem tegen me aan te trekken en hem vast te houden onderdruk ik want dan is het moment voorbij, is dit gesprek klaar. Niet te dichtbij komen nu, maar uitleg geven.
Terwijl we onze schoenen en onze jas aandoen probeer ik niet al te gedetailleerd maar wel duidelijk uit te leggen wat hersens inslaan betekent. Ik vraag me tegelijkertijd af of hij een bevestiging wil van wat hij vermoedt. Of hersens inslaan hetzelfde is, of er in ieder geval hetzelfde uitziet, als waaraan Joram overleed. Dat wat hij zo van dichtbij heeft gezien. Daar, nog bij de vakantieboerderij toen alles net gebeurd was, maar ook in het ziekenhuis. Dat wilde hij al vaker horen. Over gebroken botten in je gezicht en een gebroken schedel. Over hersenen, bloed, zwelling en blauwe plekken. En ja, ik denk dat zijn ouders zeker heel boos waren want Kaïn deed het met opzet, het was zijn bedoeling om Abel pijn te doen, te doden.
“Zou hij dan ook een straf hebben gekregen?”
Mijn Bijbelkennis is vrij belabberd, maar gelukkig herinner ik me dit verhaal. “Ja, hij heeft zeker straf gehad. Heeft juf dat ook verteld? Hij moest toch weg en rondzwerven?”
Het gesprek duurt voort, we zitten inmiddels op de fiets. Jongste blijft maar vragen stellen. Over hoe het zit over met opzet en per ongeluk en wanneer je dan straf krijgt en wanneer niet. Of je ook straf krijgt als iets per ongeluk gebeurt, of dat je dan geen straf krijgt maar dat je vader of je moeder dan weer wel boos worden. Of je ook schuld hebt als je iets per ongeluk doet of dat dat alleen zo is als je het met opzet doet. En kun je dan ook onschuldig zijn? Het is overduidelijk. Dit is iets wat onze zesjarige al lang bezighoudt.
Ik draag het ene voorbeeld na het andere aan. Dat je iets met opzet kunt doen maar dat je niet altijd meteen een straf krijgt. Als je bijvoorbeeld met opzet net doet of je niet hoort dat je naar bed moet. Maar dat je iets per ongeluk kunt doen en dat iemand anders daar toch boos over kan worden, toen je bijvoorbeeld twee keer achter elkaar je glas omstootte of als iemand per ongeluk een bal door een ruit schopt. Dat gaat per ongeluk maar het is niet leuk en sommige mensen zullen dan wel boos worden.
Als we halverwege zijn probeer ik het gesprek naar het ongeluk van Joram te sturen. Of hij nog weet dat de politie bij de boerderij was. Dat ze aan iedereen gingen vragen of ze gezien hadden wat er gebeurd was en meteen alles goed gingen onderzoeken. Dat de politie vond dat de boer van de boerderij een straf moest krijgen omdat de deur niet vastzat en dat Joram daardoor dood was gegaan. Maar dat de baas van de politie, de rechter, vond dat de boer wel beter op had moeten letten maar dat het niet zijn schuld was. De metselaar die voor de boer de deur had geplaatst heeft dat niet goed gedaan. Dat wist de boer niet. Die kon dus ook niet weten dat de deur zomaar op iemand zou kunnen vallen.
We zijn bij school. Zoon stapt af en blijft met de fiets aan zijn hand staan. Ik zie dat er iets veranderd is. “Oh, nou snap ik het! Nou snap ik waarom jullie toen in de vakantie zeiden dat het niet mijn schuld is. Het is de schuld van de metselaar. Die heeft de deur niet goed vastgemaakt. Eigenlijk moet hij straf krijgen en niet boer H.. Maar ja, de metselaar is al dood dus kan de politie hem niet in meer in de gevangenis doen. Maar misschien wist hij het wel helemaal niet dat hij het niet goed gemaakt had en dan was het per ongeluk. Ik weet niet of hij dan onschuldig was maar dan hoefde hij vast geen straf. En toch ben ik wel boos op hem.”
Voor ik antwoord kan geven loopt, huppelt, hij over het schoolplein naar het fietsenhok. De bel gaat.
We gaan samen naar binnen. Bij de kapstok hou ik hem nog even stevig vast en geef ik hem een kus. “Snap je echt dat het jouw schuld niet is? Dat jij er niets aan kon doen?”
“Ja. Echt. En nu houden we er over op.” Hij gaat de klas binnen. Hij heeft een brede lach op zijn gezicht.
Ik ben zo trots op hem! Kaïn en Abel, wat een verhaal. 
Ik loop, huppel, naar buiten. 

23 september 2011

"Mama, wil je alsjeblieft even meekomen?"

Vandaag, precies twee jaar geleden, op 20 juli 2009, veranderde ons leven voorgoed. Hieronder een relaas van wat er meteen daarna gebeurde. Of meer; hoe ik het beleefde. Een besef van tijd had ik niet zo, maar ik denk dat het zo'n twintig minuten tot een klein half uur beslaat.


“Mama, wil je alsjeblieft even mee komen?” Jongste pakt mijn hand terwijl ik even met de buurvrouw van twee appartementen verderop sta te kletsen en tegelijkertijd een wasje ophang. We zijn op vakantie in Limburg. Een prachtige plek, heuvels, weilanden en bossen om ons heen. We logeren in een appartement in een typisch Limburgse carréboerderij en hebben het goed. Het is echt vakantie; de jongens hebben vriendjes, kunnen hier lekker spelen en wij komen tot rust, lezen voor het eerst sinds tijden weer in een paar dagen een boek uit.
“Mama, wil je nou alsjeblieft komen?” Ik wil eigenlijk niet mee en liever tegen hem zeggen dat ik nu even sta te praten en zo wel even kom kijken. Maar hij pakt zo stevig mijn hand vast, begint al te trekken en hij vraagt het zo lief dus loop ik nietsvermoedend met hem mee.
Als ik de hoek van de boerderij om ga zie ik Joram verderop op de grond liggen. Een van de kinderen die ook op de boerderij logeert roept dat ik snel moet komen want er is allemaal bloed. Een fractie van een seconde denk ik dat dit geen leuke grapjes zijn en nog binnen diezelfde seconde bedenk ik me dat hij wel heel stil ligt. Joram en stil liggen zijn twee dingen die niet samen gaan.
Ik ren naar hem toe en zie meteen dat het heel erg fout is. Van de ene op de andere seconde ben ik kotsmisselijk.
Hij ligt in een onnatuurlijke houding met zijn benen onder zijn billen en ik zie bloed. Bloed in zijn gezicht, uit zijn mond, neus en oren. Oh shit, uit zijn oren! Wat me daarbij verschrikkelijk verontrust is dat zijn ogen zijn weggedraaid en hij buiten bewustzijn is. Ik kijk om mij heen. Wat is hier in hemelsnaam gebeurd? Ik zie een grote groene deur liggen en krijg vlagen mee van de kinderen die vertellen dat Joram daar onder lag en dat zij die deur van hem afgetild hebben. Hè? Onder díe deur? Ik probeer de situatie te overzien, maar dat lukt niet. Ik ben bang. Heel erg bang.
Ik kijk eens goed naar mijn zoon en ik moet slikken om niet over te geven. Hij ligt er niet goed bij, begint wat te reutelen en te kokhalzen, maar ik durf hem niet te draaien. Bang dat zijn rug gebroken is. Gelukkig zijn er snel andere ouders bij en wordt 112 gebeld. Ik hoor zeggen: “… jongetje onder een deur…” en ik vind dat niet ernstig genoeg klinken; de ambulance moet nú komen en schreeuw naar degene die belt dat Joram buiten bewustzijn is en er bloed uit neus, mond en oren komt. Zijn oren! Terwijl ik het roep schrik ik van mezelf. Dit is echt zo fout!
Iemand komt met een tuinstoelkussentje en legt deze onder Jorams hoofd; ik wil nog protesteren, weet niet of het gezien zijn rare houding verstandig is hem te verplaatsen, maar zie ook dat het nodig is hem op zijn zij te draaien omdat het bloed anders zijn longen in loopt. Ik help mee, haal zijn benen onder zijn billen vandaan en draai hem mee in stabiele zijligging. Terwijl we daar mee bezig zijn krijgt Joram rare trekkingen in zijn gezicht, een insult, en zie ik ook ineens een enorme bult met een rare vorm aan de rechterkant van zijn hoofd. Het kan niet anders of er zitten breuken in zijn schedel. Ik sta op scherp, maar ben heel gericht op Joram en merk nauwelijks wat er om me heen gebeurt. Ik weet niet wat ik moet doen. Het liefst zou ik hem in mijn armen nemen, kusjes geven, heen en weer wiegen en lieve woordjes tegen hem zeggen, beloven dat alles goed komt. Maar ik durf niet, ben zo bang hem, nog meer, pijn te doen en ik wil niet liegen want ik weet: het komt niet goed.
Ik heb geen idee hoe lang ik zo zit. Eindelijk hoor ik in de verte de sirenes van de ambulance en merk ik dat H., de boer en nog meer mensen er ook bij zijn komen staan. Iemand is naar de voorkant van de boerderij gelopen om de ambulance op te wachten en de weg te wijzen. De boer is overstuur en ik hoor hem steeds maar zeggen dat hij niet snapt wat er is gebeurd, hoe dit kan gebeuren. H. kijkt al net zo verdwaasd om zich heen. Ik vertel hem, ten overvloede, dat dit heel fout is en dat het nooit meer goed komt. Dat er altijd een ‘voor’ en een ‘na’ deze dag zal zijn. Ik weet zelf eigenlijk ook niet zo goed waarom ik dat precies zeg, maar wanneer we elkaar even, heel kort, echt aankijken lees ik de wanhoop in zijn ogen en dat hij het ook weet.
Als de verpleegkundigen van de ambulance naar Joram toelopen zie ik meteen dat ze schrikken en dat maakt me nog ongeruster. Ze zeggen nog niets over Joram zelf, maar vragen wat er gebeurd is. Ondertussen leggen ze een infuus aan en geven ze hem wat zuurstof door een maskertje voor zijn mond te leggen. Veel meer kunnen ze blijkbaar niet doen. Ik flap eruit dat ik niet wil dat Joram naar het ziekenhuis in Heerlen gaat. Ik vind dat ik daar goede redenen voor heb, maar nog voor ik dat uit kan leggen onderbreekt de verpleegkundige mij met de mededeling dat ze wachten op de heli en Joram naar Maastricht wordt gevlogen. Het woord ‘heli’ slaat in als een bom. Een traumahelikopter! En hoewel ik me al heel bewust was van de ernst van dit alles is het een bevestiging die ik niet wil horen.
Het wachten op die heli duurt me te lang. Ik ben onrustig en slik steeds mijn maaginhoud maar weer door. De boer houdt de infuuszak vast, H. zit bij Joram en de verpleegkundigen houden hem goed in de gaten. Ik voel me zo ontzettend misselijk. Ik móet naar de wc. Ik zeg dit nog snel tegen H. en ren, zo goed en kwaad als het gaat, naar ons appartement. Onderweg zie ik dat Jongste door de buurvrouw opgevangen is en ik zeg dat ik er zo aan kom.
Binnen in het appartement overvalt de surrealistische situatie mij compleet. Het ziet er zo gezellig uit. Er ligt een spelletje op tafel met twee koppen, nog warme, koffie ernaast. De houten treinbaan ligt helemaal uitgestald op de grond en de Playmobil en Lego die Joram nog geen twee weken geleden voor zijn zevende verjaardag kreeg staan op een andere tafel.
Terwijl ik boven de wc hang maakt mijn hoofd overuren. Ik probeer me zelf tot kalmte te dwingen en helder te denken. Het zal voor Jongste wel logeren worden dus moeten er kleren mee. Een pyama, tandenborstel, knuffels, puffers. Ik loop gehaast maar toch verbazingwekkend gericht, met een grote tas door het appartement en pak de spullen van de slaapkamer van Jongste en loop naar Jorams slaapkamer waar een grote kast staat waar voor beide jongens kleding in zit. Ik pak de kleren van Jongste en sta te twijfelen. Moet ik voor Joram ook nog wat meenemen? Ook een pyama misschien? Ik kijk de kamer rond en zie zijn nog onopgemaakte bed met zijn knuffels. Die moeten zeker mee, voor als hij weer bijkomt. En terwijl ik dat denk weet ik eigenlijk al beter. Ik wil die gedachte niet toelaten en probeer me weer te focussen. Weer beneden prop ik nog wat speelgoed voor Jongste in de tas en ren weer naar buiten om met dezelfde vaart weer naar binnen te gaan.
Denk nou helder! Ik word gek van de gedachten, flarden van gesprekken, herinneringen die zich aan me opdringen, de zwangerschap van Joram, ontbijten gisteren in Aken, Jorams verjaardag, hoe zat het nou ook alweer precies met het gebied van Wernicke en van Broca, wie moet ik allemaal bellen, Jongste, mag een van ons eigenlijk ook mee in de heli?
Spullen voor onszelf. Mijn tas. Hebben we cash? Verzekeringspasjes? Het fototoestel, waar is die? M’n telefoon en de opladers. Een boek? Geen boek, alsof we nu kunnen lezen. Ik ga ervan uit dat we ergens tijdens de komende dagen vast nog wel even terugkomen.
Weer buiten zie ik Jongste ontdaan en met een bleek gezichtje bij de buurvrouw staan en terwijl ik naar ze toeloop moet ik toch nog een keer overgeven in het gras. Ik hou Jongste vast en voordat ik echt besef wát ik zeg, vertel ik Jongste dat er straks een echte helikopter komt en dat Joram mee mag. “Stoer hè?”