Inspiratie

18 januari 2011

Vasthouden en loslaten

Tijdens de bijeenkomst van de begrafenis van Joram hebben we het nummer 'Vanaf Vandaag' gedraaid, uitgevoerd door Rob de Nijs. Ik kende de muziek van Rob de Nijs eigenlijk helemaal niet zo goed maar dit nummer had ik al wel eens op Youtube opgezocht. Naar aanleiding van 'een draadje' op een forum dat ging over muziek bij begrafenissen van kinderen. Toen meteen al een tranentrekker, niet wetende dat wij het lied zelf nog eens zouden uitkiezen bij een begrafenis. De begrafenis van ons eigen kind.
De tekst van dat lied sprak ons enorm aan en verwoordt wat wij voelden en nog steeds voelen. ‘Vanaf vandaag leef jij in mij, niet bij die bomen, niet in die kist, maar in mij. Voor altijd in mij.’ En het voelt nog steeds zo, in elke vezel van mijn lijf voel ik Joram. Bij elke stap die ik zet, waar ik ook heen ga, hij is bij mij.
Dat geldt overigens ook voor Jongste, maar op een andere manier. Met hem kan ik nog lijfelijk contact hebben, nog vasthouden, met hem stoeien, knuffelen en kussen. Hem moet ik lijfelijk ook los laten, als hij naar school gaat, bij een vriendje is of uit logeren gaat, maar hij komt als het goed is steeds weer terug – daar proberen we zo goed en kwaad als dat gaat toch maar steeds weer vanuit te gaan. En dat is ook de reden waarom ik Joram niet meer op die manier kan loslaten. Omdat hij nooit, nooit meer terugkomt wil ik alles wat hem aan mij bindt vasthouden. En daarom is hij misschien nog wel dieper en vooral op een andere manier, in mij aanwezig dan Jongste. Jongste leidt nog wel zijn eigen leven, heeft, hoe moeilijk en beangstigend dat voor ons soms ook is, het recht om losgelaten te worden; te veel vasthouden belemmert hem in het groter groeien. Maar voor Joram geldt dat niet en dat maakt dat ik alles wat er nog van hem is, aan hem doet denken, wil vasthouden, koesteren. ‘Vanaf vandaag leef jij in mij. Ik zal twee levens leven, met jou in mij.’
Tegelijkertijd maakt het me zo verdrietig. De tijd gaat maar door en hoewel hij dus figuurlijk nog steeds, voor altijd, heel dichtbij me is, verdwijnt hij letterlijk steeds meer uit ons leven. Naast de vele gebeurtenissen waar Joram er nu niet meer bij is maar er ooit wel bij was; verjaardagen, vakanties, bepaalde gebeurtenissen gedurende het jaar (Sinterklaas, Kerst ed.), bepaalde plaatsen, zijn er ook steeds meer waarbij we geen enkele associatie met hem hebben. Hij was er niet bij, zal er ook nooit meer bij zijn en daarom staat het zo los van hem. Daarbij is er sinds het overlijden van Joram zoveel om ons heen verandert dat hij zelf steeds meer geschiedenis wordt. En dat doet pijn. Heel erg pijn.
Het moeilijkst is denk ik nog wel dat we er zelf nog aan meedoen ook. Dat we dus ‘gewoon’ uitstapjes maken en op vakantie gaan zonder hem.  Dat we dingen veranderen die we nooit veranderd hadden als hij er nog was geweest, in ieder geval niet op deze manier.
Je ziet op televisie, vooral in politieseries, wel eens ouders die de kamer van hun overleden of vermiste kind laten zien. Vaak nog helemaal in dezelfde staat als voor het overlijden of vermissing van hun kind. “Vroeger” (lees: voor het overlijden van Joram) leek mij dat niet goed. Het leek me ongezond en het rouwproces
 in de weg staan om jarenlang een kamer hetzelfde te houden, alsof het kind nog zo binnen kon stappen – al was het bewuste kind waarschijnlijk al volwassen geweest als het nog geleefd had. Misschien dat ik er op een later moment wel anders over denk, maar nu begrijp ik die ouders helemaal. 
Het is dat koesteren en vasthouden van je kind. Met het weinige van wat er nog van hem is, zijn aanwezigheid proberen te voelen. Maar ook om de keiharde waarheid weer in volle omvang tot me door te laten dringen, dat allesoverheersende schreeuwende gemis op een andere manier binnen te laten komen. In een bui van zelfmedelijden, als de tranen maar niet willen komen maar ze zo aan de oppervlakte zitten. Dan is die kamer een middel om Joram te voelen en te huilen.
Maar dan praat ik over mezelf. Rouwen is in vele opzichten een eenzaam proces en voor iedereen zo verschillend. Ik heb dat zo af en toe nodig, maar dat wil niet zeggen dat dat voor anderen ook op die manier geldt. Of op dezelfde plek. H. heeft dat veel minder dan ik dat heb en al helemaal niet zo zeer bij Jorams kamer. En ik geloof ook niet dat Jongste dat heeft. Ik denk dat hij het meer als een gegeven ziet dat het Jorams kamer was maar dat je er nu zonder gestoord te worden door je broer, leuk kan spelen. Hij zal daarbij vast wel eens aan Joram denken, maar het lijkt hem niet te belemmeren.
Een jaar lang is Jorams kamer nog Jorams kamer gebleven. Noemden we het ook zo. En het had van mij ook nog wel kunnen wachten. Om van Jorams kamer de kamer van Jongste te maken. Maar Jongste heeft een heel klein kamertje en groeit zijn peuterbed uit. Hij heeft een ‘groot bed’ nodig en dat past niet in dat kamertje. We hadden ideeën om op zolder te gaan verbouwen, om daar een grotere slaapkamer te maken. Maar toen overleed Joram was er ineens een kamer ‘over’ en al vrij snel waren we het er over eens dat een grote verbouwing dan toch wel zot is en dat Jongste, als hij dat zelf tenminste zou willen, dan wel in Jorams kamer zou kunnen. We hoefden hem dat geen twee keer te vragen en het ging hem daarna ook niet snel genoeg. Hij wilde meteen wel ‘verhuizen’. Ook H. had hier geen moeite mee, maar ik kon het nog niet. Was er nog niet aan toe. Wilde nog de mogelijkheid nog hebben om me er terug te trekken. En had tijd nodig om ook hiervan afscheid te nemen. Los te laten.
Uiteindelijk ben ik in de zomervakantie begonnen met het uitzoeken van de spullen. Ik had al wel wat kleding en speelgoed uitgezocht maar verder stond alles stond nog net zo in zijn kamer als voor onze, zijn noodlottige, vakantie en de dagen voor de begrafenis waarbij Joram in zijn eigen bed lag.
Als het aan Jongste had gelegen was alles bij het oude gebleven. Er hoefde wat hem betreft niets te veranderen, het bed, het bureau, de kleuren op de muren, het was goed zo. En misschien was dat voor hem ook koesteren van wat van Joram is geweest, maar zelf denk ik dat het meer te maken had met dat het vertrouwd was. Maar dat leek ons toch geen goed plan. Niet voor hem, maar ook voor ons. Het moest niet Jorams kamer blijven, maar de kamer van Jongste worden. Zijn eigen kamer, met zijn eigen kleuren, meubels, spulletjes en posters.
Ik begin met het uitzoeken van het speelgoed en de boeken, laat al zijn verzamelingen nog eens – voor de zoveelste keer –  door mijn handen laten gaan, steentjes, veertjes, schelpen, een haaientand, mooi gekleurde draadjes, een botje, een uitgedroogde kastanje en nog veel meer. Spullen om te bewaren (weer dat vasthouden en koesteren!) doe ik in bewaardozen en met pijn in mijn hart gooi ik toch ook wat dingen weg. Het bureau, de stoel en het matras breng ik naar zolder en als de kamer op het bed na helemaal leeg is begint het ‘echte’ werk (dat bed uit elkaar halen bleek niet zo simpel als gedacht dus dat liet even op zich wachten). Het ‘echte’ werk omdat ik het lichamelijk best zwaar vind, maar vooral omdat het emotioneel erg zwaar werk is.



Laag voor laag probeer ik het behang van de muren te pulken. Ik heb het gevoel dat Joram over mijn schouder meekijkt en dat ik hem tot diep in zijn ziel kwets. Ik kan hem bijna, op z’n Jorams, verontwaardigd en boos horen roepen dat het niet eerlijk is, dat het zíjn kamer is en dat we daar vanaf moeten blijven. Dat het voor altijd zo moet blijven! Het kost me veel moeite, zou het liefst stoppen maar ik ga toch door. Jongste helpt me daarbij. 
Hij kijkt er al tijden naar uit dat hij mee mag helpen ‘klussen’ en eindelijk is het dan zo ver. Hij spuit met een plantenspuit warm water op het behang –  en op mij –  en als het doorweekt is probeer ik met een plamuurmes een beginnetje te zoeken zodat hij het volgende stuk weer van de muur kan trekken. Het is steeds weer een verrassing als hij ziet dat er weer een laag onder zit. Maar de moed zinkt mij bijna in de schoenen. Zeven lagen behang tellen we. En elke laag lijkt steeds vaster te zitten. Het is of we langzaam de geschiedenis van de muren afpellen, elke laag met zijn eigen kleuren en patroon, zijn eigen verhaal.
Eerst de laag geschilderd in Jorams kleuren, lichtblauw en Blauwst! (een diepe kleur blauw, mede door Joram uitgekozen door de grappige naam), met alle herinneringen en gemengde gevoelens die daarbij horen – en dat zijn er veel! – , die laag komt het makkelijkst van de muur, maar is emotioneel zo zwaar. Ik voel me schuldig, een verrader naar Joram toe. Door het afscheuren van het behang is het zo definitief, zo onomkeerbaar zijn kamer niet meer.
Een vriendinnetje van Joram komt langs en helpt ook mee. We hebben het er over hoe raar dit is. Dat we met z’n drieën in Jorams kamer aan het klussen zijn. Dat het straks zijn kamer niet meer is. Maar ook zij heeft ogenschijnlijk meer belangstelling voor de lagen behang en de plantenspuit. (“Hou oud zou dit wel niet zijn?” “Ik weet het niet, misschien wel tachtig jaar oud.” “Tachtig? Wauw!”) Samen verzamelen zij en Jongste van alle lagen stukjes behang, leggen het naast elkaar en maken daar hun eigen nieuwe behang van. Dat ik, terwijl ik hen aanschouw, allebei zo vol verwondering en plezier, de tranen over mijn wangen heb lopen lijken die twee helemaal niet in de gaten te hebben.
Ondanks hun plezier blijft het een voor mij een rotklus. Het behang wil er niet af en moet ook nog gestoomd worden. Het zit heel erg vast en het kost me in alle opzichten heel veel moeite. Ik vind het emotioneel zwaar. H. vraagt aan me of we dit niet moeten laten doen. Of het niet te moeilijk is. Maar dat wil ik niet. Ik moet dit zelf doen. Dat wat ik kan dan.
Als het behang er dan eindelijk af is wordt de wastafel die nooit gebruikt wordt en eigenlijk alleen maar ruimte inneemt weggehaald door een vriend en ‘zijn maat’. Ook plaatsen ze extra stopcontacten en stucen ze de muren. Voor hen ook is het ook moeilijk en raar om te doen. Maar ik ben blij dat zij het doen en niet iemand die we niet kennen; alsof het daarom met meer respect en liefde gebeurt. En gezien de staat waarin de muren verkeren leveren ze knap werk.
H. schuurt het vele houtwerk. Daarna kan ik verder met het eigenlijke opknappen. Jongste wil een gele kamer en vooral ook meehelpen –  ooit geïnspireerd door Nijntje die zelf haar kamer geel verft. Geel lijkt ons iets te heftig wakker worden ’s morgens en daarom wordt het wit (een gebroken wit met de naam Gelukzalig; dat moet dus goedkomen en anders krijgt Histor een rechtszaak aan z'n broek) met groen, met gouden accenten.
Tijdens het schilderen word ik me pijnlijk bewust van wat ik aan het doen ben. Dat wat ik zo graag wil vasthouden ben ik letterlijk aan het overschilderen, veranderen, aan het ‘wegmaken’. Bij elke verfstreek die ik zet heb ik het gevoel dat ik Jorams leven steeds meer uitwis. Die symboliek treft me ineens hard en het lukt me niet dit nog los te laten.
Maar Jongste helpt mee en dat maakt dat ik er wel luchtiger over moet doen. Ik wil hem niet belasten met mijn zwaarmoedigheid. Daarbij sta ik naast een heel trots mannetje te schilderen omdat hij het niet alleen stoer vindt; echte kluskleren aan die vies mogen worden en grote mensenwerk doen, maar hij is er ook nog goed in. Hij blijkt een natuurtalent te zijn om op de maat van de muziek van de Sprookjesboom verf over een muur te rollen. En om zijn moeder te laten relativeren. Hij zet me met beide benen weer op de grond. Lekker gek doen, met verf smeren, meezingen op de muziek. Associaties met je dode broer gewoon opzij zetten en ‘in het nu’ leven.Wel met een dubbel gevoel. Zo hoorde hij me regelmatig tegen anderen zeggen dat ik in Jorams oude kamer aan het klussen was waarop Jongste op een gegeven moment zei: “Je moet niet steeds zeggen Jorams oude kamer, het is mijn nieuwe kamer!” Die kwam hard aan, maar plaatste alles wel weer in een ander perspectief, zijn gezichtspunt. 





Er is veel hout en dus ook schilderwerk in de nieuwe kamer van Jongste en ook omdat ik het lichamelijk niet lang vol houd om veel te doen heb ik dus nog veel tijd om me tijdens het schilderen te verliezen in mijn gedachten en herinneringen. Maar het lukt me ook om me zo af en toe af te laten leiden door de radio en lekker hard mee te zingen. 
De kamer is bijna klaar; er moet volgens Jongste nog meer goud en er moet nog een raamkozijn geschilderd worden, maar verder is het af. Er staat een nu een prachtig nieuw ‘groot bed’ (gemaakt door een heuse meubelmaker, vader van klasgenootjes van zowel Joram als Jongste) en Jongste slaapt er alweer twee maanden en we hebben tot onze verbazing weinig gemerkt van ont- en gewenning. Het is echt een andere kamer geworden. Al hebben we wel aan de wens van Jongste voldaan. Sommige dingen zijn hetzelfde gebleven. De klamboe hangt weer op dezelfde plek, het door Joram zelf uitgekozen donkerblauwe verduisteringsgordijn met gele sterren en andere, doorzichtige, gordijnen met gele sterren en vleermuizen zijn weer opgehangen evenals een planetenmobiel. Jongste wilde dat zo graag, vond ze zo mooi en of dat het enige is of omdat hij daarmee ook iets vast wil houden van (de kamer van) Joram weten we niet.
Ik hoop dat het Jongste lukt om er echt zijn domein van te maken. Dat het echt zijn kamer gaat worden. Ik denk niet dat ik die kamer ooit binnen zal lopen zonder aan Joram te denken, zonder hem te voelen, zonder te denken aan die maanden klussen en de moeite die me dat heeft gekost.
Maar dat geeft niet, het is zelfs wel fijn. Het is goed zo. Nee, ‘het’ is niet goed zo. Die kamer is goed zo. Een beetje van Joram en in de toekomst waarschijnlijk steeds meer van Jongste.





22 oktober 2010

Birthdayblues in het kwadraat

Het is acht juli 2010 tegen elven ’s avonds en we liggen samen in bed, H. en ik. We zijn hondsmoe en moeten eigenlijk slapen. Maar het wil maar niet lukken. We hebben allebei een knoop in onze maag, voelen ons ‘down’, de tranen zitten hoog. We hebben beide veel flashbacks.
“Weet je nog? Rond deze tijd wilde de verpleegkundige je nog een slaappil geven, wilde ze niet geloven dat je al uren vol in de weeën zat. Het CTG gaf het niet duidelijk aan en wat je voelde maakte blijkbaar niet veel uit.” We halen herinneringen op aan die dag waarop Joram geboren werd. Ik lag al weken af en aan in het ziekenhuis met bloedverlies, weeënactiviteit en later ook nog gebroken vliezen. Die dag, acht juli 2002, werd besloten dat ik ingeleid moest worden, volgens de bloeduitslagen bleek dat ik zelf een infectie aan het ontwikkelen was en uit de echo bleek dat ons baby’tje niet meer groeide. Na die belachelijke opmerking over dat ik maar een nacht goed moest slapen – nu het nog kon - en een slaappil zou krijgen, terwijl ik al uren aan het ‘puffen’ was, werd ik, eigenlijk alleen om mijn kamergenoot een goede nachtrust te gunnen, toch maar naar de verloskamers gebracht. Daar volgde een stortbevalling en even flinke paniek omdat de hartslag van ons baby’tje wegviel, maar zo'n anderhalf uur later, even na middennacht, was hij er al. Ons inieminiemannetje, 42 centimeter lang en maar 1600 gram. Zat hij in dat bubbeltjesplastic gewikkeld en keek hij ons met die grote blauwe ogen aan vanuit de couveuse. En de verpleegkundige nog zeggen dat de meeste kinderen hun ogen dicht doen als ze net geboren zijn en huilen. Nee, Joram niet. Die wilde vanaf het begin af aan alles volgen, bang iets te missen. Was meteen heel erg wakker. (En dat is daarna nooit meer anders geweest.)



We blijven praten, over die zwangerschap, de bevalling, die periode daarna in het ziekenhuis, het eerste jaar en de zeven jaren en verjaardagen die daar op volgden; “Weet je nog dat hij toen de kaarsjes met zijn handen uit wilde maken? Weet je nog, toen kreeg hij die houten garage maar hij vond het inpakpapier veel interessanter. Weet je nog van dat feestje in het bos? Weet je nog, vorig jaar net zeven geworden en een dag later op vakantie. Waren we maar niet gegaan…”
We proberen ze nog tegen te houden maar dan komen de tranen toch. Ik moet verschrikkelijk huilen en baal daarvan omdat ik dan morgen, en met een beetje pech ook overmorgen, weer van die dikke rode en branderige ogen heb. Alsof ik een klap in mijn gezicht heb gehad.
Morgen… de verjaardag van ons mannetje. Of eigenlijk niet verjaardag maar geboortedag. Verjaren zal hij niet meer doen. Ouder dan zeven jaar zal hij nooit worden. Het is intens verdrietig dat we ons er geen voorstelling van kunnen maken hoe het, nee híj, nu zou zijn. Hoe hij acht zou zijn. Hoe hij morgenochtend natuurlijk al weer vroeg wakker zou zijn, hoe hij met een verwachtingsvolle blik zijn cadeautjes uit zou pakken, hoe hij morgen de vlag zou hijsen op school, hoe er voor hem gezongen zou worden - lang zal hij leven! - , dat hij zou trakteren en de klassen rond zou mogen gaan en natuurlijk een feestje zou geven. Hoe trots hij zelf zou zijn: Acht jaar is echt groot!


Al dagen, weken hikken we tegen deze dag aan. Hoe vul je zo’n dag in? We zijn ontzettend blij dat ons mannetje ooit geboren werd, dat we hem hebben mogen kennen, van hem hebben mogen houden, maar het voelt absoluut niet als een feestdag. Willen we visite? Taart? Dat voelt toch niet goed. Maar niets doen, er geen aandacht aan geven voelt al helemaal niet goed.
En dan, na een onrustige nacht, is het negen juli. Een bloedhete dag, net als acht jaar geleden. We gaan naar Jorams graf. En nee, vandaag - nooit meer! - geen ‘vlaghijsen’ en toegezongen door de kinderen uit zijn klas. In plaats daarvan gaan zij ook naar zijn graf.
Samen met ouders en juffen staan ze voor de ingang van de begraafplaats en heerst er bijna een uitbundige stemming, maar zodra ze de begraafplaats oplopen worden ze stil. Ze hebben allemaal een dino’tje gemaakt en zetten deze een voor een bij Jorams graf neer. Sommige kinderen blijven even bij het graf zitten; bekijken en bevoelen het mozaïek, anderen lopen wat rond en gaan stoeien met Jongste die ook mee is. Sommige kinderen hebben het moeilijk. De meeste kinderen zijn hier het afgelopen jaar al geweest, een aantal meerdere keren, maar toch is het bijzonder om met zo’n grote groep vriendjes en vriendinnetjes om Jorams graf te staan. Te voelen dat hij toch altijd bij deze klas zal blijven horen.
Als de kinderen terug naar school gaan blijven wij nog even. Is er weer ruimte voor tranen. Samen huilen met opa en oma die ook langskomen. Samen koffiedrinken (zonder taart) en opnieuw herinneringen ophalen.
En het is er eigenlijk te warm voor, maar we willen niet thuisblijven met een onbestemd gevoel en dus gaan we ’s middags met de andere opa en oma naar het bos. We sjouwen een eind en hoewel het goed is even weg te zijn, te kunnen praten, blijft het gevoel heel erg dubbel. Vandaag is geen vrolijke verjaardag. De tranen blijven aan de oppervlakte en ’s avonds doen we de gordijnen dicht; hoe lief we het ook vinden van mensen die aan deze speciale dag denken, we willen even geen visite. We hebben er behoefte aan even met z’n drieën te zijn.
Misschien dat het anders gaat voelen met het verstrijken van de jaren en misschien lukt het dan ook een goede invulling te geven aan deze dag. Lukt het misschien beter om zijn leven, de jaren die hij bij ons was, te vieren in plaats van hem vooral met een intens verdrietig gevoel te herdenken. Maar vandaag hebben flashbacks en het gevoel van ontwricht en verscheurd zijn de overhand. En dat is bepaald geen feestje.



9 juli 2010

In de herhaling, op deze bijzondere dag, Jorams verjaardag:


Er zit een gat in mijn ziel met jouw vorm
Het is een groot gat hoewel je klein was
Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo

Alle woorden die er zijn zijn niet genoeg
Alle liefs van de wereld is niet genoeg
Alle gemis van de wereld is niet genoeg
Want het gat in mijn ziel is toch groter

Wat is er mis
Ik
Ik mis
Jou
Zoals alleen wie niet meer terugkomt echt gemist kan worden

NB! Ik heb de afgelopen weken al meerdere malen het verzoek gehad of dit gedicht doorgestuurd mag worden aan mensen die een geliefde, een kind, hebben verloren.
Het is natuurlijk een groot compliment voor de schrijfster van dit gedicht, mijn vriendin, maar als ik eerlijk ben heb ik hier moeite mee. Het gedicht is voor mij geschreven en gaat over ons mannetje, over Joram. De woorden uit dit gedicht zijn speciaal gekozen met hem in gedachten: "..Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo...", iedereen die Joram heeft gekend weet waarom deze woorden zijn gekozen.
Natuurlijk kan ik hier een discussie beginnen over een openbare blog, copyrights en dergelijke, maar daar kan en wil ik bij groot gebrek aan 'puf', niet aan beginnen. Dus, alsjeblieft, lees dit gedicht over ons mannetje met hem op je netvlies, met hem in je gedachten en als je het dan persé wilt doorsturen (ik kan het toch niet tegenhouden) vertel dan over hem, over wie hij was en dat het verdriet om hem, het gemis om hem dat grote gat in onze ziel heeft geslagen.
Ik hoop dat jullie hier begrip voor hebben, maar het alternatief is dit gedicht van deze blog halen en dat zou toch ook wel weer jammer zijn.

23 juni 2010

Grafmozaïek


Laatst las ik een kop in de krant over de moordende concurrentiestrijd in de uitvaartbranche. Persoonlijk vond ik de woordkeus nogal bijzonder en ietwat pijnlijk, maar het maakte wel dat ik het artikel verder wilde lezen (en dat zal de bedoeling van de journalist dan ook wel geweest zijn). Het ging er over dat de uitvaartsector mede door de vergrijzing booming business wordt, over dat ‘de grote jongens’ de kleine bedrijven willen overnemen en dat dit dan, zoals dat zo vaak gebeurt, ten koste van de klantvriendelijkheid gaat. Dat het onpersoonlijker wordt en dat de kleinere bedrijven dat natuurlijk niet willen maar dat ze moeite hebben om zich staande te houden omdat persoonlijke aandacht nou eenmaal meer tijd en dus geld kost.
Het zou, logischerwijs, ook de reden zijn waarom bedrijven meer reclame maken voor hun diensten. Dat je te pas en te onpas advertenties van uitvaartondernemingen tegenkomt, of zoals laatst een reclamefilmpje over de mogelijkheden van asbestemming na cremeren tussen twee afleveren Ernst, Bobbie en de Rest in: “Mam, kun je als je dood bent en verbrand met een raket naar de maan?” Tja, leg dat maar es uit…
Het zal allemaal wel nodig zijn om als uitvaartonderneming te kunnen overleven (ha!), maar ik vind het vaak te ver gaan. Dat dood bij het leven hoort, oké. Dat het niet verkeerd is daar over na te denken zo lang het nog kan, ook oké. Dat het verstandig is je wensen met je toekomstige nabestaanden te bespreken en/of het op papier te zetten, kan ik me ook nog in vinden (al heb ik dat nog niet gedaan). Maar toen wij een week of vier, vijf na het overlijden van Joram ineens post ontvingen van een steenhouwerij was ik toch wel lichtelijk ontzet. En toen binnen diezelfde week nog twee van die enveloppen kwamen van andere steenhouwerijen/grafsteenleveranciers (of hoe je het ook noemen wil) werd ik boos.
Natuurlijk vonden zij het ook heel erg wat ons was overkomen en condoleerden ze ons met het verlies van onze zoon, maar… het was nu al een maand na de begrafenis en dan werd het toch wel tijd om eens na te denken over een grafmonument en dan moesten we natuurlijk bij hen zijn. Zij hadden, alle drie, de mooiste, beste en vooral goedkoopste grafstenen van de hele regio. We waren altijd, maar wel op afspraak, welkom voor een rondleiding in de showroom en dan zou de koffie ook nog voor ons klaar staan. Helemaal fantastisch, wat wil je als kersverse nabestaanden nog meer?
Ze hebben wel lef, dat kun je niet ontkennen, maar ik vind het vooral onbeschoft en respectloos. Ik had natuurlijk meteen de neiging om in de pen te klimmen of boze telefoontjes te plegen, maar H. behoedde me daarvoor, vond dat ik mijn kostbare energie niet op zo’n negatieve manier moest gaan gebruiken en daar had hij, weer eens, helemaal gelijk in. Ze hadden toch al een averechts effect bereikt met hun brieven, bij hen zouden we in ieder geval nooit een grafsteen bestellen!
De voorbeeldafbeeldingen in de bijgeleverde folders zette ons wel aan het denken. Het ‘standaard’ (kinder-)grafsteenwerk is wel heel erg somber en donker, past niet bij ons en al helemaal niet bij Joram, ons vrolijke, drukke dinomannetje. Dus toen we er een poos later iets meer aan toe waren – hoewel dat ook belachelijk blijft, een grafsteen uitzoeken voor het graf van je kind, daar ben je eigenlijk nooit aan toe  – , zijn we eens gaan googlen. En we hoefden eigenlijk niet eens heel erg onze best te doen; het zoekwoord ‘grafmonument’ leverde al zoveel hits op dat we er wel even zoet mee waren. Er blijkt echt ontzettend veel mogelijk (als het ook binnen de regels van de begraafplaats past!) en het blijkt inderdaad ook booming business.
Omdat we iets kleurrijks wilden, maar geen glas, viel ons oog op website van Atelier Kunst-ig, van iemand die mozaïeken maakt. Kunstwerken, mozaïeken van zwangere buiken, gebruiksvoorwerpen en dus ook gedenkmozaïeken. We hebben het een paar weken laten bezinken en daarna een afspraak met haar gemaakt waarbij we met haar konden kennismaken, waarbij zij ons kon vertellen wat er mogelijk was, hoe alles in zijn werk ging en wij onze wensen en ideeën (voor zover toen aanwezig) konden aangeven. We hadden er een goed gevoel bij en er volgde daarna dan ook een proces van veel heen en weer gemail van afbeeldingen, ontwerpen en ideeën. Het moest iets worden wat echt bij Joram zou passen en toen we het over het ontwerp eens waren is Sabina alvast aan het werk gegaan. Eind april ben ik, samen met een aantal familieleden en een vriendin, naar Rotterdam gereisd om mee te helpen mozaïeken.
Ik zag er van te voren wel wat tegen op. Was bang dat het zwaar zou worden en het was in eerste instantie inderdaad even schrikken om het mozaïek in het echt te zien liggen. Een grafmozaïek voor míjn kind! Je wilt je helemaal niet bezighouden met een graf voor je eigen kind, dat is iets zo onnatuurlijks, zo onwerkelijks. Nog steeds. Gelukkig verdween dat gevoel wat naar de achtergrond, werd het zelfs gezellig, maar was het vooral heel bijzonder om met mensen die je ontzettend dierbaar zijn, en van wie Joram heel veel hield, aan zoiets speciaals mee te mogen werken. Juist omdat het voor Joram is. Als het dan moet dan is dit een goede vorm. Voor mij dan, H. had de behoefte helemaal niet en dat is natuurlijk ook goed.
Het heeft er voor mij denk ik mee te maken dat het weer iets is wat we nog kunnen doen. Er letterlijk aan kunnen werken, aan het mozaïek maar ook aan het rouwen, doorvoelen. (Al sluit ik ook niet helemaal uit dat het iets te maken heeft met de controlefreak in mij…) We hebben het die middag niet afgekregen, was ook niet de bedoeling trouwens, en Sabina heeft het daarna afgemaakt. Opnieuw met veel gemail van foto’s en veranderingen. Ze heeft het te verduren gehad, muggenzifters die we zijn… (ik ben…)
Vorige week was het helemaal af en is het op het graf van Joram geplaatst. Alle dino’s, stenen, schelpjes, tekeningen en briefjes die er in de loop van het jaar door iedereen op zijn gelegd, moesten eraf en helaas kunnen er een heleboel ook niet terug, er is simpelweg geen ruimte meer voor. Maar het mozaïek staat prachtig! Het leek, zeker in vergelijking met dat van zijn buurkinderen, ‘huge’, maar de afmetingen kloppen (anders had het echt niet geplaatst mogen worden op deze begraafplaats, over regels en muggenzifters gesproken) en het begint al te wennen. Sommige mensen zullen het vast helemaal niets vinden. Volgens mij is het echt zo’n ding waar geen middenweg is: je vindt het of heel mooi of heel lelijk. Een ding is in ieder geval zeker; Joram had het geweldig gevonden!

Onderaan water omdat Joram erg hield van water en zwemmen (al moest hij zijn diploma nog wel even halen). Joram wilde later als hij groot zou zijn (pfff…) een boot kopen en de oceanen bevaren als duikende onderwater paleontoloog. Daarboven een heuvelachtig dinolandschap, voor ons ook symbolisch voor de Limburgse heuvels, met op de achtergrond een slapende vulkaan. En daar weer boven een helderblauwe lucht met een van ons wegvliegende pterosauriër (een Ornithocheirus). Een krachtig oerbeest, maar tegelijkertijd zo licht en kwetsbaar met bijna doorzichtige vleugels. Het symboliseert, niet zo verwonderlijk, Joram. Daarbij was de aflevering ‘Giant of the skies’ van ‘Walking with Dinosaurs’ voor hem de meest fascinerende aflevering van de serie der series! (En die fascinatie had vooral te maken met het feit dat de Ornithocheirus vol in beeld sterft.) Helemaal linksonder in de hoek is een fossiel van een halve ammoniet verwerkt. De andere helft hebben wij thuis en zal ook worden verwerkt in een mozaïek in dezelfde stijl en kleuren, dat wij thuis zullen ophangen. Het symboliseert het ’van elkaar afgesneden zijn’, het niet compleet zijn zonder elkaar en tegelijkertijd onze eeuwige verbondenheid. Op het staande gedeelte staan zijn naam en zijn geboorte- en overlijdensdata in Jorams kleur, donkerblauw. (Overigens valt de symmetrie van zijn geboortedatum en zijn overlijdensdatum op een of andere manier in dit mozaïek nog meer op...)
En om nog even terug te komen om de concurrentiestrijd binnen de uitvaartbranche: wij zijn blij dat we voor de persoonlijke aanpak hebben gekozen. Zowel tijdens de begrafenis en de voorbereidingen daarvan, maar ook hierbij. En hoewel het vast iets duurder geweest zal zijn dan een ‘gewone’ standaard steen valt dat volgens mij best mee. Ik hoop zo dat de concurrentiestrijd niet verder oplaait en dat dit mogelijk blijft voor iedereen. Iets kopen bij ‘De Grafsteenconcurrent’, ‘Outletsteen’ of de begrafenis compleet online regelen bij ‘Budgetuitvaart’ of ‘Uitvaart Compact’… het zal voor sommige mensen echt een uitkomst zijn, maar om op deze, persoonlijke, manier hiermee bezig te kunnen zijn werkt voor ons toch ook (een beetje) helend. En dat is heel wat waard!

(oktober 2009)
(december 2009)
(juni 2010)

21 mei 2010

PICU-bezoek


“Had je niet de neiging om te gaan overgeven toen je het ziekenhuis binnenliep?” vroeg H. toen ik hem aan de telefoon vanuit Limburg vertelde over mijn bezoek aan de PICU (pediatrische intensive care) in het AZM (tegenwoordig MUMC+). Geen rare vraag want de vorige keer dat ik er was heb ik dat namelijk wel gedaan. Heel vaak.
Ik werd van de ene op de andere seconde letterlijk kotsmisselijk toen ik Joram bij de vakantieboerderij zwaargewond op de grond zag liggen en meteen wist dat het heel erg fout was. Nog voordat Joram met de helikopter werd weggevlogen had ik al een aantal keren overgegeven. Pas toen de Officier van Justitie, twee-en-een-halve dag later, zo’n zes uren na zijn overlijden, liet weten dat Jorams lichaam werd vrijgegeven en wij hem eindelijk mochten wassen en voor zover mogelijk aankleden, werd mijn maag weer wat rustiger. Hoefde ik niet meer steeds boven die vieze wc te hangen.
Ruim negen maanden geleden alweer was ik er voor het laatst. Ook voor het eerst trouwens. Op deze afdeling. De afdeling waar Joram met zo veel liefde en respect werd verzorgd, waar alles uit de kast werd gehaald om hem er bovenop te helpen en toen al snel duidelijk werd dat dat niet ging lukken werd er voor gezorgd dat hij in ieder geval geen pijn leed, zich (hoogstwaarschijnlijk) niet bewust was van wat er om hem heen gebeurde. Dat hij, zoals artsen het dan noemen, ‘comfortabel’ was.
Het is bijna niet te bevatten dat het alweer negen maanden geleden is. Het lijkt veel korter en er is zoveel gebeurd in die paar dagen dat het meer voelt alsof het een paar weken waren. Ik kan de geur, de angst, de machteloosheid, het verdriet en ook die misselijkheid van toen nog zo goed oproepen. Het zit net als het onnoemlijke gemis van ons prachtige ventje in elke vezel van mijn lijf. Ik heb in die tijd heel bewust intens proberen te leven. Wilde me niet afsluiten, niet in mezelf keren maar was er op gebrand alles te onthouden en vooral goed te ‘voelen’. Ik denk dat dat gelukt is.
Toch had ik erg de behoefte om nog eens op de afdeling rond te lopen. Op de kamer waar Joram lag te kijken, te ruiken en vooral, weer te voelen. De mensen nog eens te zien en misschien ook wel te spreken. De manier waarop zij hun werk doen heeft een diepe indruk op ons achter gelaten. Zo betrokken, zo bijzonder, nogmaals, met zoveel liefde en respect niet alleen naar Joram toe maar vooral ook naar ons, onze hele familie. H. begreep niet dat ik er nog eens heen wilde, voelde die behoefte totaal niet, sterker nog, hij voelt een sterke afkeer van elk ziekenhuis maar vooral van deze plek. Waarom zou je de plaats opzoeken waar je zoveel pijn hebt gehad, zoveel verdriet hebt gevoeld, waar het ergst denkbare je is overkomen; de plek waar je kind is gestorven. De gedachte alleen al gaf hem kotsneigingen.
De dag voor het bezoek aan het ziekenhuis rij ik al naar Zuid-Limburg, ik zal er een paar nachten doorbrengen bij mijn schoonzus en zwager die daar wonen – mede daarom waren we al regelmatig in het zuiden. De rit er naar toe was moeilijk en daar had ik even te weinig rekening meegehouden. Was te veel met het ziekenhuis bezig en minder met de rest er omheen. Onderweg bedacht ik me met een schok dat de laatste keer naar Limburg met ons vieren was. Dat we luisterend naar Piet Piraat in een volle auto op weg waren, en ja, ook in de file stonden. De terugrit van vakantie was destijds meer dan bizar. Het voelde surrealistisch met alweer de vrolijke muziek van Piet Piraat maar met niet twee kinderen op de achterbank, maar één kind en een leeg autostoeltje. Wetend dat je je andere kind achterlaat in een koelcel in een kil mortuarium. En het bleef maar regenen…
Het helpt nu dat ik in mijn eigen auto zit en naar mijn eigen muziek kan luisteren. De tranen stromen over mijn wangen bij de muziek en teksten van Wende Snijders (Wonderful, Hey, Exhale) en ik laat het toe. Daarna luister ik naar Room Eleven (o.a. AlwaysStronger) en daar knap ik van op, blèr keihard mee en dat voelt heerlijk, bijna bevrijdend van de tranen. Het is prachtig weer en ik zie het landschap veranderen en moet denken aan de meivakantie van vorig jaar. Joram rende met zijn armen wijd in de lucht door de Limburgse weilanden en heuvels en riep bijna zingend: “Ik wil hier wel voor altijd blijven wonen!” Hij heeft wat dat betreft een goede plek “gekozen” om er tussen uit te piepen.
Als ik een dag later samen met mijn schoonzus, die altijd zo zelfverzekerd lijkt maar vandaag nog zenuwachtiger is dan ik, het ziekenhuis in loop is het net alsof ik er vorige week nog was. Op de PICU praten we eerst een poos met een van de verpleegkundigen die er ook tijdens die dagen in de zomer was. Ze heeft een vrije dag maar komt speciaal voor ons terug. Ze zegt zelf dat dat niets voorstelt maar wij vinden dat heel bijzonder! Na een uurtje komen ook de kinderarts-intensivist en de pedagogisch medewerker. We hebben ook met hen een lang, goed en heel zinvol gesprek. Ik stel vragen, medische vragen over Joram en over de gegeven behandeling, maar vooral ook persoonlijke vragen aan de verpleegkundige en arts en deze worden stuk voor stuk uitgebreid beantwoord. Ze zijn heel eerlijk en open en ze weten nog bijna van minuut tot minuut te vertellen wat er gebeurd is. De manier waarop deze mensen hun vak uitoefenen is heel bijzonder en blijft hartverwarmend. Volgens hen zelf valt dit onder nazorg en is het een kwestie van prioriteiten stellen, maar ik ben er van overtuigd dat dit niet in elk ziekenhuis zo gegaan zal zijn en ben wat dat betreft ook blij dat we in Limburg waren.
Het bezoek aan Limburg en de PICU zijn confrontaties die ik uit de weg had kunnen gaan, maar de behoefte was te groot. Ik had vooral het gevoel dat het goed en zinvol voor me zou zijn. En dat was het ook. Maar het was ook wel moeilijk. Het was druk op de afdeling en de kamer waar Joram lag was bezet. De kamer ernaast waar onze familie zich die dagen ‘installeerde’ kon ik nog wel inkijken, net als de speelkamer en – ik kon het niet laten – ook even die kots-wc. Ik heb in die paar uur vele flashbacks gehad en heb die paar dagen weer even opnieuw beleefd. En we hadden het van te voren niet zo gepland maar uiteindelijk zijn de gesprekken voor mij het belangrijkst geweest. Het was intensief en ik merk dat flarden van de gesprekken nog regelmatig door mijn hoofd spoken. Ze hebben veel duidelijkheid en antwoorden gegeven, maar geven ook weer nieuwe stof tot nadenken en voelen. Maar dat is niet erg, blijkbaar heb ik dat nodig.
En gelukkig had ik geen kotsneigingen, al ik kan niet zeggen dat mijn maag en buik helemaal rustig waren, dat ik niet even opnieuw misselijk werd, maar spugen? Nee, gelukkig niet, dat had ik daar al genoeg gedaan.