Inspiratie

22 oktober 2010

Birthdayblues in het kwadraat

Het is acht juli 2010 tegen elven ’s avonds en we liggen samen in bed, H. en ik. We zijn hondsmoe en moeten eigenlijk slapen. Maar het wil maar niet lukken. We hebben allebei een knoop in onze maag, voelen ons ‘down’, de tranen zitten hoog. We hebben beide veel flashbacks.
“Weet je nog? Rond deze tijd wilde de verpleegkundige je nog een slaappil geven, wilde ze niet geloven dat je al uren vol in de weeën zat. Het CTG gaf het niet duidelijk aan en wat je voelde maakte blijkbaar niet veel uit.” We halen herinneringen op aan die dag waarop Joram geboren werd. Ik lag al weken af en aan in het ziekenhuis met bloedverlies, weeënactiviteit en later ook nog gebroken vliezen. Die dag, acht juli 2002, werd besloten dat ik ingeleid moest worden, volgens de bloeduitslagen bleek dat ik zelf een infectie aan het ontwikkelen was en uit de echo bleek dat ons baby’tje niet meer groeide. Na die belachelijke opmerking over dat ik maar een nacht goed moest slapen – nu het nog kon - en een slaappil zou krijgen, terwijl ik al uren aan het ‘puffen’ was, werd ik, eigenlijk alleen om mijn kamergenoot een goede nachtrust te gunnen, toch maar naar de verloskamers gebracht. Daar volgde een stortbevalling en even flinke paniek omdat de hartslag van ons baby’tje wegviel, maar zo'n anderhalf uur later, even na middennacht, was hij er al. Ons inieminiemannetje, 42 centimeter lang en maar 1600 gram. Zat hij in dat bubbeltjesplastic gewikkeld en keek hij ons met die grote blauwe ogen aan vanuit de couveuse. En de verpleegkundige nog zeggen dat de meeste kinderen hun ogen dicht doen als ze net geboren zijn en huilen. Nee, Joram niet. Die wilde vanaf het begin af aan alles volgen, bang iets te missen. Was meteen heel erg wakker. (En dat is daarna nooit meer anders geweest.)



We blijven praten, over die zwangerschap, de bevalling, die periode daarna in het ziekenhuis, het eerste jaar en de zeven jaren en verjaardagen die daar op volgden; “Weet je nog dat hij toen de kaarsjes met zijn handen uit wilde maken? Weet je nog, toen kreeg hij die houten garage maar hij vond het inpakpapier veel interessanter. Weet je nog van dat feestje in het bos? Weet je nog, vorig jaar net zeven geworden en een dag later op vakantie. Waren we maar niet gegaan…”
We proberen ze nog tegen te houden maar dan komen de tranen toch. Ik moet verschrikkelijk huilen en baal daarvan omdat ik dan morgen, en met een beetje pech ook overmorgen, weer van die dikke rode en branderige ogen heb. Alsof ik een klap in mijn gezicht heb gehad.
Morgen… de verjaardag van ons mannetje. Of eigenlijk niet verjaardag maar geboortedag. Verjaren zal hij niet meer doen. Ouder dan zeven jaar zal hij nooit worden. Het is intens verdrietig dat we ons er geen voorstelling van kunnen maken hoe het, nee híj, nu zou zijn. Hoe hij acht zou zijn. Hoe hij morgenochtend natuurlijk al weer vroeg wakker zou zijn, hoe hij met een verwachtingsvolle blik zijn cadeautjes uit zou pakken, hoe hij morgen de vlag zou hijsen op school, hoe er voor hem gezongen zou worden - lang zal hij leven! - , dat hij zou trakteren en de klassen rond zou mogen gaan en natuurlijk een feestje zou geven. Hoe trots hij zelf zou zijn: Acht jaar is echt groot!


Al dagen, weken hikken we tegen deze dag aan. Hoe vul je zo’n dag in? We zijn ontzettend blij dat ons mannetje ooit geboren werd, dat we hem hebben mogen kennen, van hem hebben mogen houden, maar het voelt absoluut niet als een feestdag. Willen we visite? Taart? Dat voelt toch niet goed. Maar niets doen, er geen aandacht aan geven voelt al helemaal niet goed.
En dan, na een onrustige nacht, is het negen juli. Een bloedhete dag, net als acht jaar geleden. We gaan naar Jorams graf. En nee, vandaag - nooit meer! - geen ‘vlaghijsen’ en toegezongen door de kinderen uit zijn klas. In plaats daarvan gaan zij ook naar zijn graf.
Samen met ouders en juffen staan ze voor de ingang van de begraafplaats en heerst er bijna een uitbundige stemming, maar zodra ze de begraafplaats oplopen worden ze stil. Ze hebben allemaal een dino’tje gemaakt en zetten deze een voor een bij Jorams graf neer. Sommige kinderen blijven even bij het graf zitten; bekijken en bevoelen het mozaïek, anderen lopen wat rond en gaan stoeien met Jongste die ook mee is. Sommige kinderen hebben het moeilijk. De meeste kinderen zijn hier het afgelopen jaar al geweest, een aantal meerdere keren, maar toch is het bijzonder om met zo’n grote groep vriendjes en vriendinnetjes om Jorams graf te staan. Te voelen dat hij toch altijd bij deze klas zal blijven horen.
Als de kinderen terug naar school gaan blijven wij nog even. Is er weer ruimte voor tranen. Samen huilen met opa en oma die ook langskomen. Samen koffiedrinken (zonder taart) en opnieuw herinneringen ophalen.
En het is er eigenlijk te warm voor, maar we willen niet thuisblijven met een onbestemd gevoel en dus gaan we ’s middags met de andere opa en oma naar het bos. We sjouwen een eind en hoewel het goed is even weg te zijn, te kunnen praten, blijft het gevoel heel erg dubbel. Vandaag is geen vrolijke verjaardag. De tranen blijven aan de oppervlakte en ’s avonds doen we de gordijnen dicht; hoe lief we het ook vinden van mensen die aan deze speciale dag denken, we willen even geen visite. We hebben er behoefte aan even met z’n drieën te zijn.
Misschien dat het anders gaat voelen met het verstrijken van de jaren en misschien lukt het dan ook een goede invulling te geven aan deze dag. Lukt het misschien beter om zijn leven, de jaren die hij bij ons was, te vieren in plaats van hem vooral met een intens verdrietig gevoel te herdenken. Maar vandaag hebben flashbacks en het gevoel van ontwricht en verscheurd zijn de overhand. En dat is bepaald geen feestje.



9 juli 2010

In de herhaling, op deze bijzondere dag, Jorams verjaardag:


Er zit een gat in mijn ziel met jouw vorm
Het is een groot gat hoewel je klein was
Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo

Alle woorden die er zijn zijn niet genoeg
Alle liefs van de wereld is niet genoeg
Alle gemis van de wereld is niet genoeg
Want het gat in mijn ziel is toch groter

Wat is er mis
Ik
Ik mis
Jou
Zoals alleen wie niet meer terugkomt echt gemist kan worden

NB! Ik heb de afgelopen weken al meerdere malen het verzoek gehad of dit gedicht doorgestuurd mag worden aan mensen die een geliefde, een kind, hebben verloren.
Het is natuurlijk een groot compliment voor de schrijfster van dit gedicht, mijn vriendin, maar als ik eerlijk ben heb ik hier moeite mee. Het gedicht is voor mij geschreven en gaat over ons mannetje, over Joram. De woorden uit dit gedicht zijn speciaal gekozen met hem in gedachten: "..Het is een zwart gat al was je licht
En gaf je licht soms, bijna, of leek het zo...", iedereen die Joram heeft gekend weet waarom deze woorden zijn gekozen.
Natuurlijk kan ik hier een discussie beginnen over een openbare blog, copyrights en dergelijke, maar daar kan en wil ik bij groot gebrek aan 'puf', niet aan beginnen. Dus, alsjeblieft, lees dit gedicht over ons mannetje met hem op je netvlies, met hem in je gedachten en als je het dan persé wilt doorsturen (ik kan het toch niet tegenhouden) vertel dan over hem, over wie hij was en dat het verdriet om hem, het gemis om hem dat grote gat in onze ziel heeft geslagen.
Ik hoop dat jullie hier begrip voor hebben, maar het alternatief is dit gedicht van deze blog halen en dat zou toch ook wel weer jammer zijn.

23 juni 2010

Grafmozaïek


Laatst las ik een kop in de krant over de moordende concurrentiestrijd in de uitvaartbranche. Persoonlijk vond ik de woordkeus nogal bijzonder en ietwat pijnlijk, maar het maakte wel dat ik het artikel verder wilde lezen (en dat zal de bedoeling van de journalist dan ook wel geweest zijn). Het ging er over dat de uitvaartsector mede door de vergrijzing booming business wordt, over dat ‘de grote jongens’ de kleine bedrijven willen overnemen en dat dit dan, zoals dat zo vaak gebeurt, ten koste van de klantvriendelijkheid gaat. Dat het onpersoonlijker wordt en dat de kleinere bedrijven dat natuurlijk niet willen maar dat ze moeite hebben om zich staande te houden omdat persoonlijke aandacht nou eenmaal meer tijd en dus geld kost.
Het zou, logischerwijs, ook de reden zijn waarom bedrijven meer reclame maken voor hun diensten. Dat je te pas en te onpas advertenties van uitvaartondernemingen tegenkomt, of zoals laatst een reclamefilmpje over de mogelijkheden van asbestemming na cremeren tussen twee afleveren Ernst, Bobbie en de Rest in: “Mam, kun je als je dood bent en verbrand met een raket naar de maan?” Tja, leg dat maar es uit…
Het zal allemaal wel nodig zijn om als uitvaartonderneming te kunnen overleven (ha!), maar ik vind het vaak te ver gaan. Dat dood bij het leven hoort, oké. Dat het niet verkeerd is daar over na te denken zo lang het nog kan, ook oké. Dat het verstandig is je wensen met je toekomstige nabestaanden te bespreken en/of het op papier te zetten, kan ik me ook nog in vinden (al heb ik dat nog niet gedaan). Maar toen wij een week of vier, vijf na het overlijden van Joram ineens post ontvingen van een steenhouwerij was ik toch wel lichtelijk ontzet. En toen binnen diezelfde week nog twee van die enveloppen kwamen van andere steenhouwerijen/grafsteenleveranciers (of hoe je het ook noemen wil) werd ik boos.
Natuurlijk vonden zij het ook heel erg wat ons was overkomen en condoleerden ze ons met het verlies van onze zoon, maar… het was nu al een maand na de begrafenis en dan werd het toch wel tijd om eens na te denken over een grafmonument en dan moesten we natuurlijk bij hen zijn. Zij hadden, alle drie, de mooiste, beste en vooral goedkoopste grafstenen van de hele regio. We waren altijd, maar wel op afspraak, welkom voor een rondleiding in de showroom en dan zou de koffie ook nog voor ons klaar staan. Helemaal fantastisch, wat wil je als kersverse nabestaanden nog meer?
Ze hebben wel lef, dat kun je niet ontkennen, maar ik vind het vooral onbeschoft en respectloos. Ik had natuurlijk meteen de neiging om in de pen te klimmen of boze telefoontjes te plegen, maar H. behoedde me daarvoor, vond dat ik mijn kostbare energie niet op zo’n negatieve manier moest gaan gebruiken en daar had hij, weer eens, helemaal gelijk in. Ze hadden toch al een averechts effect bereikt met hun brieven, bij hen zouden we in ieder geval nooit een grafsteen bestellen!
De voorbeeldafbeeldingen in de bijgeleverde folders zette ons wel aan het denken. Het ‘standaard’ (kinder-)grafsteenwerk is wel heel erg somber en donker, past niet bij ons en al helemaal niet bij Joram, ons vrolijke, drukke dinomannetje. Dus toen we er een poos later iets meer aan toe waren – hoewel dat ook belachelijk blijft, een grafsteen uitzoeken voor het graf van je kind, daar ben je eigenlijk nooit aan toe  – , zijn we eens gaan googlen. En we hoefden eigenlijk niet eens heel erg onze best te doen; het zoekwoord ‘grafmonument’ leverde al zoveel hits op dat we er wel even zoet mee waren. Er blijkt echt ontzettend veel mogelijk (als het ook binnen de regels van de begraafplaats past!) en het blijkt inderdaad ook booming business.
Omdat we iets kleurrijks wilden, maar geen glas, viel ons oog op website van Atelier Kunst-ig, van iemand die mozaïeken maakt. Kunstwerken, mozaïeken van zwangere buiken, gebruiksvoorwerpen en dus ook gedenkmozaïeken. We hebben het een paar weken laten bezinken en daarna een afspraak met haar gemaakt waarbij we met haar konden kennismaken, waarbij zij ons kon vertellen wat er mogelijk was, hoe alles in zijn werk ging en wij onze wensen en ideeën (voor zover toen aanwezig) konden aangeven. We hadden er een goed gevoel bij en er volgde daarna dan ook een proces van veel heen en weer gemail van afbeeldingen, ontwerpen en ideeën. Het moest iets worden wat echt bij Joram zou passen en toen we het over het ontwerp eens waren is Sabina alvast aan het werk gegaan. Eind april ben ik, samen met een aantal familieleden en een vriendin, naar Rotterdam gereisd om mee te helpen mozaïeken.
Ik zag er van te voren wel wat tegen op. Was bang dat het zwaar zou worden en het was in eerste instantie inderdaad even schrikken om het mozaïek in het echt te zien liggen. Een grafmozaïek voor míjn kind! Je wilt je helemaal niet bezighouden met een graf voor je eigen kind, dat is iets zo onnatuurlijks, zo onwerkelijks. Nog steeds. Gelukkig verdween dat gevoel wat naar de achtergrond, werd het zelfs gezellig, maar was het vooral heel bijzonder om met mensen die je ontzettend dierbaar zijn, en van wie Joram heel veel hield, aan zoiets speciaals mee te mogen werken. Juist omdat het voor Joram is. Als het dan moet dan is dit een goede vorm. Voor mij dan, H. had de behoefte helemaal niet en dat is natuurlijk ook goed.
Het heeft er voor mij denk ik mee te maken dat het weer iets is wat we nog kunnen doen. Er letterlijk aan kunnen werken, aan het mozaïek maar ook aan het rouwen, doorvoelen. (Al sluit ik ook niet helemaal uit dat het iets te maken heeft met de controlefreak in mij…) We hebben het die middag niet afgekregen, was ook niet de bedoeling trouwens, en Sabina heeft het daarna afgemaakt. Opnieuw met veel gemail van foto’s en veranderingen. Ze heeft het te verduren gehad, muggenzifters die we zijn… (ik ben…)
Vorige week was het helemaal af en is het op het graf van Joram geplaatst. Alle dino’s, stenen, schelpjes, tekeningen en briefjes die er in de loop van het jaar door iedereen op zijn gelegd, moesten eraf en helaas kunnen er een heleboel ook niet terug, er is simpelweg geen ruimte meer voor. Maar het mozaïek staat prachtig! Het leek, zeker in vergelijking met dat van zijn buurkinderen, ‘huge’, maar de afmetingen kloppen (anders had het echt niet geplaatst mogen worden op deze begraafplaats, over regels en muggenzifters gesproken) en het begint al te wennen. Sommige mensen zullen het vast helemaal niets vinden. Volgens mij is het echt zo’n ding waar geen middenweg is: je vindt het of heel mooi of heel lelijk. Een ding is in ieder geval zeker; Joram had het geweldig gevonden!

Onderaan water omdat Joram erg hield van water en zwemmen (al moest hij zijn diploma nog wel even halen). Joram wilde later als hij groot zou zijn (pfff…) een boot kopen en de oceanen bevaren als duikende onderwater paleontoloog. Daarboven een heuvelachtig dinolandschap, voor ons ook symbolisch voor de Limburgse heuvels, met op de achtergrond een slapende vulkaan. En daar weer boven een helderblauwe lucht met een van ons wegvliegende pterosauriër (een Ornithocheirus). Een krachtig oerbeest, maar tegelijkertijd zo licht en kwetsbaar met bijna doorzichtige vleugels. Het symboliseert, niet zo verwonderlijk, Joram. Daarbij was de aflevering ‘Giant of the skies’ van ‘Walking with Dinosaurs’ voor hem de meest fascinerende aflevering van de serie der series! (En die fascinatie had vooral te maken met het feit dat de Ornithocheirus vol in beeld sterft.) Helemaal linksonder in de hoek is een fossiel van een halve ammoniet verwerkt. De andere helft hebben wij thuis en zal ook worden verwerkt in een mozaïek in dezelfde stijl en kleuren, dat wij thuis zullen ophangen. Het symboliseert het ’van elkaar afgesneden zijn’, het niet compleet zijn zonder elkaar en tegelijkertijd onze eeuwige verbondenheid. Op het staande gedeelte staan zijn naam en zijn geboorte- en overlijdensdata in Jorams kleur, donkerblauw. (Overigens valt de symmetrie van zijn geboortedatum en zijn overlijdensdatum op een of andere manier in dit mozaïek nog meer op...)
En om nog even terug te komen om de concurrentiestrijd binnen de uitvaartbranche: wij zijn blij dat we voor de persoonlijke aanpak hebben gekozen. Zowel tijdens de begrafenis en de voorbereidingen daarvan, maar ook hierbij. En hoewel het vast iets duurder geweest zal zijn dan een ‘gewone’ standaard steen valt dat volgens mij best mee. Ik hoop zo dat de concurrentiestrijd niet verder oplaait en dat dit mogelijk blijft voor iedereen. Iets kopen bij ‘De Grafsteenconcurrent’, ‘Outletsteen’ of de begrafenis compleet online regelen bij ‘Budgetuitvaart’ of ‘Uitvaart Compact’… het zal voor sommige mensen echt een uitkomst zijn, maar om op deze, persoonlijke, manier hiermee bezig te kunnen zijn werkt voor ons toch ook (een beetje) helend. En dat is heel wat waard!

(oktober 2009)
(december 2009)
(juni 2010)

21 mei 2010

PICU-bezoek


“Had je niet de neiging om te gaan overgeven toen je het ziekenhuis binnenliep?” vroeg H. toen ik hem aan de telefoon vanuit Limburg vertelde over mijn bezoek aan de PICU (pediatrische intensive care) in het AZM (tegenwoordig MUMC+). Geen rare vraag want de vorige keer dat ik er was heb ik dat namelijk wel gedaan. Heel vaak.
Ik werd van de ene op de andere seconde letterlijk kotsmisselijk toen ik Joram bij de vakantieboerderij zwaargewond op de grond zag liggen en meteen wist dat het heel erg fout was. Nog voordat Joram met de helikopter werd weggevlogen had ik al een aantal keren overgegeven. Pas toen de Officier van Justitie, twee-en-een-halve dag later, zo’n zes uren na zijn overlijden, liet weten dat Jorams lichaam werd vrijgegeven en wij hem eindelijk mochten wassen en voor zover mogelijk aankleden, werd mijn maag weer wat rustiger. Hoefde ik niet meer steeds boven die vieze wc te hangen.
Ruim negen maanden geleden alweer was ik er voor het laatst. Ook voor het eerst trouwens. Op deze afdeling. De afdeling waar Joram met zo veel liefde en respect werd verzorgd, waar alles uit de kast werd gehaald om hem er bovenop te helpen en toen al snel duidelijk werd dat dat niet ging lukken werd er voor gezorgd dat hij in ieder geval geen pijn leed, zich (hoogstwaarschijnlijk) niet bewust was van wat er om hem heen gebeurde. Dat hij, zoals artsen het dan noemen, ‘comfortabel’ was.
Het is bijna niet te bevatten dat het alweer negen maanden geleden is. Het lijkt veel korter en er is zoveel gebeurd in die paar dagen dat het meer voelt alsof het een paar weken waren. Ik kan de geur, de angst, de machteloosheid, het verdriet en ook die misselijkheid van toen nog zo goed oproepen. Het zit net als het onnoemlijke gemis van ons prachtige ventje in elke vezel van mijn lijf. Ik heb in die tijd heel bewust intens proberen te leven. Wilde me niet afsluiten, niet in mezelf keren maar was er op gebrand alles te onthouden en vooral goed te ‘voelen’. Ik denk dat dat gelukt is.
Toch had ik erg de behoefte om nog eens op de afdeling rond te lopen. Op de kamer waar Joram lag te kijken, te ruiken en vooral, weer te voelen. De mensen nog eens te zien en misschien ook wel te spreken. De manier waarop zij hun werk doen heeft een diepe indruk op ons achter gelaten. Zo betrokken, zo bijzonder, nogmaals, met zoveel liefde en respect niet alleen naar Joram toe maar vooral ook naar ons, onze hele familie. H. begreep niet dat ik er nog eens heen wilde, voelde die behoefte totaal niet, sterker nog, hij voelt een sterke afkeer van elk ziekenhuis maar vooral van deze plek. Waarom zou je de plaats opzoeken waar je zoveel pijn hebt gehad, zoveel verdriet hebt gevoeld, waar het ergst denkbare je is overkomen; de plek waar je kind is gestorven. De gedachte alleen al gaf hem kotsneigingen.
De dag voor het bezoek aan het ziekenhuis rij ik al naar Zuid-Limburg, ik zal er een paar nachten doorbrengen bij mijn schoonzus en zwager die daar wonen – mede daarom waren we al regelmatig in het zuiden. De rit er naar toe was moeilijk en daar had ik even te weinig rekening meegehouden. Was te veel met het ziekenhuis bezig en minder met de rest er omheen. Onderweg bedacht ik me met een schok dat de laatste keer naar Limburg met ons vieren was. Dat we luisterend naar Piet Piraat in een volle auto op weg waren, en ja, ook in de file stonden. De terugrit van vakantie was destijds meer dan bizar. Het voelde surrealistisch met alweer de vrolijke muziek van Piet Piraat maar met niet twee kinderen op de achterbank, maar één kind en een leeg autostoeltje. Wetend dat je je andere kind achterlaat in een koelcel in een kil mortuarium. En het bleef maar regenen…
Het helpt nu dat ik in mijn eigen auto zit en naar mijn eigen muziek kan luisteren. De tranen stromen over mijn wangen bij de muziek en teksten van Wende Snijders (Wonderful, Hey, Exhale) en ik laat het toe. Daarna luister ik naar Room Eleven (o.a. AlwaysStronger) en daar knap ik van op, blèr keihard mee en dat voelt heerlijk, bijna bevrijdend van de tranen. Het is prachtig weer en ik zie het landschap veranderen en moet denken aan de meivakantie van vorig jaar. Joram rende met zijn armen wijd in de lucht door de Limburgse weilanden en heuvels en riep bijna zingend: “Ik wil hier wel voor altijd blijven wonen!” Hij heeft wat dat betreft een goede plek “gekozen” om er tussen uit te piepen.
Als ik een dag later samen met mijn schoonzus, die altijd zo zelfverzekerd lijkt maar vandaag nog zenuwachtiger is dan ik, het ziekenhuis in loop is het net alsof ik er vorige week nog was. Op de PICU praten we eerst een poos met een van de verpleegkundigen die er ook tijdens die dagen in de zomer was. Ze heeft een vrije dag maar komt speciaal voor ons terug. Ze zegt zelf dat dat niets voorstelt maar wij vinden dat heel bijzonder! Na een uurtje komen ook de kinderarts-intensivist en de pedagogisch medewerker. We hebben ook met hen een lang, goed en heel zinvol gesprek. Ik stel vragen, medische vragen over Joram en over de gegeven behandeling, maar vooral ook persoonlijke vragen aan de verpleegkundige en arts en deze worden stuk voor stuk uitgebreid beantwoord. Ze zijn heel eerlijk en open en ze weten nog bijna van minuut tot minuut te vertellen wat er gebeurd is. De manier waarop deze mensen hun vak uitoefenen is heel bijzonder en blijft hartverwarmend. Volgens hen zelf valt dit onder nazorg en is het een kwestie van prioriteiten stellen, maar ik ben er van overtuigd dat dit niet in elk ziekenhuis zo gegaan zal zijn en ben wat dat betreft ook blij dat we in Limburg waren.
Het bezoek aan Limburg en de PICU zijn confrontaties die ik uit de weg had kunnen gaan, maar de behoefte was te groot. Ik had vooral het gevoel dat het goed en zinvol voor me zou zijn. En dat was het ook. Maar het was ook wel moeilijk. Het was druk op de afdeling en de kamer waar Joram lag was bezet. De kamer ernaast waar onze familie zich die dagen ‘installeerde’ kon ik nog wel inkijken, net als de speelkamer en – ik kon het niet laten – ook even die kots-wc. Ik heb in die paar uur vele flashbacks gehad en heb die paar dagen weer even opnieuw beleefd. En we hadden het van te voren niet zo gepland maar uiteindelijk zijn de gesprekken voor mij het belangrijkst geweest. Het was intensief en ik merk dat flarden van de gesprekken nog regelmatig door mijn hoofd spoken. Ze hebben veel duidelijkheid en antwoorden gegeven, maar geven ook weer nieuwe stof tot nadenken en voelen. Maar dat is niet erg, blijkbaar heb ik dat nodig.
En gelukkig had ik geen kotsneigingen, al ik kan niet zeggen dat mijn maag en buik helemaal rustig waren, dat ik niet even opnieuw misselijk werd, maar spugen? Nee, gelukkig niet, dat had ik daar al genoeg gedaan.






15 april 2010

Begrafenis(je)


Gisteren was er opeens wat commotie vanuit de tuin. Jongste vond op een van onze tuinstoelen een dood vogeltje. Een heel klein vogeltje dat volgens mij nog lekker in zijn ei had moeten zitten. Of het was net geboren en door een roofvogel of kat uit zijn nest geplukt en laten vallen toen hij blijkbaar werd gestoord bij zijn daad.
Jongste wilde vooral zeker weten of het beestje dood was, echt niet meer ademde. Dat was overduidelijk zo.
Hij bleef er een beetje om heen drentelen en we besloten dat hij daar niet zo kon blijven liggen. Je zou er toch per ongeluk op gaan zitten. Ik zei, heel onnadenkend, dat we hem wel in de kliko konden doen. "Nee niet in de kliko, zullen we hem begraven?", vroeg Jongste. Natuurlijk. Stom stom.
Normaal gesproken zou ik meteen heel alert zijn en al mijn voelsprieten overeind hebben staan als Jongste met iets dat dood is geconfronteerd zou worden. Aan het einde van de zomer is hij een paar dagen van slag geweest door een stervende vlinder, ook bij ons in de tuin. Hij heeft er dagenlang voor gezorgd dat het vlindertje, dat niet meer kon vliegen, op een beschut plekje zat zodat het niet wegwaaide. Hij was in tranen toen hij uit school kwam en zag dat hij toch echt dood was gegaan. We hebben de vlinder toen begraven. Een hele ceremonie werd het.
En nu, met dat vogeltje, begin ik ineens over een kliko. Sufferd! Maar blijkbaar maakt de houding van Jongste ook dat ik deze 'vergissing' bega. Hij lijkt niet zo van slag. Eerder gezond geïnteresseerd, zoals vele kleuters zouden zijn bij het zien van een dood vogeltje. Goed, we gaan hem begraven. Een vogelbegraafplaatsje is niet zo snel gevonden. Jongste opperde de zandbak en een bloempot, maar dat leek mij dan weer niet zo'n goed idee. We besluiten hem te begraven bij de rand van het water bij een singel hier in de buurt. Jongste graaft zo'n ondiep grafje dat ik denk dat een kat hem uiteindelijk toch wel zal vinden, maar het beestje past er precies in en daar gaat het nu om. We gooien er wat zand bij, Jongste zoekt een steen die er bovenop gaat en bloemetjes mogen natuurlijk ook niet ontbreken. En zo wordt het een toch nog een ceremonietje. Maar een veel minder zware dan destijds met die vlinder. Dit voelt zoals een andere kleuter, die niet al die zware dingen heeft meegemaakt, die niet zijn broer heeft begraven zien worden, ook zou doen. Ik ben er 'blij' om.
We lopen terug naar huis en dan zegt Jongste ineens: "Dag vogeltje! Veel plezier in de hemel!" De hemel? Ik heb hem nog nooit uit zichzelf over de hemel gehoord. Ondanks dat hij op een Christelijke school zit heeft hij tot nu toe altijd beweerd dat Joram niet de hemel is maar op de begraafplaats, in een kist onder de grond, 'dat heeft hij zelf gezien'. "Mama, als je doodgaat ga je dan naar de hemel?" "Wat is dat eigenlijk, de hemel?" "Hoe ziet de hemel eruit?" "Is Joram ook in de hemel?" Opeens komen de vragen. Wat een dood vogeltje teweeg kan brengen.

Overigens had Joram zo'n dood vogeltje ook heel indrukwekkend gevonden. Misschien ook wel zielig. Maar dan weer niet zielig genoeg om te begraven. Ik denk dat als we hem de kans hadden gegeven hij het beestje liever zou bewaren, in een doosje onder zijn bed of zo. Of ontleden. "Even kijken hoe de botjes en spieren eruit zien."